Numeri 20

Als de kinderen Israels, de ganse vergadering, in de woestijn Zin gekomen waren, in de eerste maand, zo bleef het volk te Kades. En stierf aldaar, en zij werd aldaar begraven.

En er was geen water voor de vergadering; toen vergaderden zij zich tegen en tegen .

En het volk twistte met , en zij spraken, zeggende: Och, of wij den geest gegeven hadden, toen onze broeders voor het aangezicht des HEEREN den geest gaven!

Waarom toch hebt gijlieden de gemeente des HEEREN in deze woestijn gebracht, dat wij daar sterven zouden, wij en onze beesten?

En waarom hebt gijlieden ons doen optrekken uit , om ons te brengen in deze kwade plaats? Het is geen plaats van zaad, noch van vijgen, noch van wijnstokken, noch van granaatappelen; ook is er geen water om te drinken.

Toen gingen en van het aangezicht der gemeente tot de deur van de tent der samenkomst, en zij vielen op hun aangezichten; en de heerlijkheid des HEEREN verscheen hun.

En de HEERE sprak tot , zeggende:

Neem dien staf, en verzamel de vergadering, gij en , uw broeder, en spreekt gijlieden tot den steenrots voor hun ogen, zo zal zij hun water geven; alzo zult gij hun water voortbrengen uit den steenrots, en gij zult de vergadering en haar beesten drenken.

Toen nam den staf van voor het aangezicht des HEEREN, gelijk als Hij hem geboden had.

En en vergaderden de gemeente voor de steenrots, en hij zeide tot hen: Hoort toch, gij wederspannigen, zullen wij water voor ulieden uit deze steenrots hervoorbrengen?

Toen hief zijn hand op, en hij sloeg de steenrots tweemaal met zijn staf; en er kwam veel waters uit, zodat de vergadering dronk, en haar beesten.

Derhalve zeide de HEERE tot en tot : Omdat gijlieden Mij niet geloofd hebt, dat gij Mij heiligdet voor de ogen der kinderen van , daarom zult gijlieden deze gemeente niet inbrengen in het land, hetwelk Ik hun gegeven heb.

Dit zijn de wateren van Meriba, daar de kinderen Israels met den HEERE om getwist hebben; en Hij werd aan hen geheiligd.

Daarna zond boden uit Kades tot den koning van , welke zeiden: Alzo zegt uw broeder Israel: Gij weet al de moeite, die ons ontmoet is;

Dat onze vaders naar afgetogen zijn, en wij in vele dagen gewoond hebben; en dat de Egyptenaars aan ons en onze vaderen kwaad gedaan hebben.

Toen riepen wij tot den HEERE, en Hij hoorde onze stem, en Hij zond een Engel, en Hij leidde ons uit ; en ziet, wij zijn te Kades, en stad aan het uiterste uwer landpale.

Laat ons toch door uw land trekken; wij zullen niet trekken door den akker, noch door de wijngaarden, noch zullen het water der putten drinken; wij zullen den koninklijken weg gaan, wij zullen niet afwijken ter rechterhand noch ter linkerhand, totdat wij door uw landpalen zullen getrokken zijn.

Doch zeide tot hem: Gij zult door mij niet trekken, opdat ik niet misschien met het zwaard uitga u tegemoet!

Toen zeiden de kinderen Israels tot hem: Wij zullen door den gebaanden weg optrekken, en indien wij van uw water drinken, ik en mijn vee, zo zal ik deszelfs prijs daarvoor geven; ik zal alleenlijk, zonder iets anders, te voet doortrekken.

Doch hij zeide: Gij zult niet doortrekken! En is hem tegemoet uitgetrokken, met een zwaar volk, en met een sterke hand.

Alzo weigerde Israel toe te laten door zijn landpale te trekken; daarom week Israel van hem af.

Toen reisden zij van Kades; en de kinderen Israels kwamen, de ganse vergadering, aan den .

De HEERE nu sprak tot , en tot , aan den , aan de pale van het land van , zeggende:

zal tot zijn volken verzameld worden; want hij zal niet komen in het land, hetwelk Ik aan de kinderen Israels gegeven heb, omdat gijlieden Mijn mond wederspannig geweest zijt bij de wateren van Meriba.

Neem , en , zijn zoon, en doe hen opklimmen tot den .

En trek zijn klederen uit, en trek ze , zijn zoon, aan; want zal verzameld worden, en daar sterven.

nu deed, gelijk als de HEERE geboden had; want zij klommen op tot den , voor de ogen der ganse vergadering.

En trok zijn klederen uit, en hij trok ze zijn zoon aan; en stierf aldaar, op de hoogte diens bergs. Toen kwam en van dien berg af.

Toen de ganse vergadering zag, dat overleden was, zo beweenden zij dertig dagen, het ganse huis van Israel.