Numeri 2

En de HEERE sprak tot en tot , zeggende:

De kinderen Israels zullen zich legeren, een ieder onder zijn banier, naar de tekenen van het huis hunner vaderen; rondom tegenover de tent der samenkomst zullen zij zich legeren.

Die zich nu legeren zullen oostwaarts tegen den opgang, zal zijn de banier des legers van , naar hun heiren; en , de zoon van , zal de overste der zonen van zijn.

Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en zeventig duizend en zeshonderd.

En nevens zal zich legeren de stam van ; en , de zoon van , zal de overste der zonen van zijn.

Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en vijftig duizend en vierhonderd.

Daartoe de stam van ; en , de zoon van , zal de overste der zonen van zijn.

Zijn heir nu, en zijn getelden waren zeven en vijftig duizend en vierhonderd.

Al de getelden des legers van waren honderd zes en tachtig duizend en vierhonderd, naar hun heiren. Zij zullen vooraan optrekken.

De banier des legers van , naar hun heiren, zal tegen het zuiden zijn; en , de zoon van , zal de overste der zonen van zijn.

Zijn heir nu, en zijn getelden waren zes en veertig duizend en vijfhonderd.

En nevens hem zal zich legeren de stam van ; en , de zoon van , zal de overste der zonen van zijn.

Zijn heir nu, en zijn getelden waren negen en vijftig duizend en driehonderd.

Daartoe de stam van ; en Eljasaf, de zoon van , zal de overste der zonen van zijn.

Zijn heir nu, en zijn getelden waren vijf en veertig duizend zeshonderd en vijftig.

Al de getelden in het leger van waren honderd een en vijftig duizend vierhonderd en vijftig; naar hun heiren. En zij zullen de tweede optrekken.

Daarna zal de tent der samenkomst optrekken, met het leger der Levieten, in het midden van de legers; gelijk als zij zich legeren zullen, alzo zullen zij optrekken, een iegelijk aan zijn plaats, naar hun banieren.

De banier des legers van , naar hun heiren, zal tegen het westen zijn; en , de zoon van , zal de overste der zonen van zijn.

Zijn heir nu, en zijn getelden waren veertig duizend en vijfhonderd.

En nevens hem de stam van Manasse; en , de zoon van , zal de overste der zonen van Manasse zijn.

Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en dertig duizend en tweehonderd.

Daartoe de stam van ; en , de zoon van , zal de overste der zonen van zijn.

Zijn heir nu, en zijn getelden waren vijf en dertig duizend en vierhonderd.

Al de getelden in het leger van waren honderd acht duizend en eenhonderd, naar hun heiren. En zij zullen de derde optrekken.

De banier des legers van zal tegen het noorden zijn, naar hun heiren; en , de zoon van , zal de overste der zonen van zijn.

Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en zestig duizend en zevenhonderd.

En nevens hem zal zich legeren de stam van ; en , de zoon van Ochran, zal de overste der zonen van zijn.

Zijn heir nu, en zijn getelden waren een en veertig duizend en vijfhonderd.

Daartoe de stam van ; en , de zoon van , zal de overste der zonen van zijn.

Zijn heir nu, en zijn getelden waren drie en vijftig duizend en vierhonderd.

Al de getelden in het leger van waren honderd zeven en vijftig duizend en zeshonderd. In het achterste zullen zij optrekken, naar hun banieren.

Dezen zijn de getelden van de kinderen Israels, naar het huis hunner vaderen; al de getelden der legers, naar hun heiren waren, zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig.

Maar de Levieten werden niet geteld onder de zonen van , gelijk als de HEERE geboden had.

En de kinderen Israels deden naar alles, wat de HEERE geboden had, zo legerden zij zich naar hun banieren, en zo trokken zij op, een iegelijk naar zijn geslachten, naar het huis zijner vaderen.