Numeri 16

nu, de zoon van Jizhar, zoon van , zoon van , nam tot zich zo als , zonen van Eliab, en , den zoon van , zonen van .

En zij stonden op voor het aangezicht van , mitsgaders tweehonderd en vijftig mannen uit de kinderen Israels, oversten der vergadering, de geroepenen der samenkomst, mannen van naam.

En zij vergaderden zich tegen , en tegen , en zeiden tot hen: Het is te veel voor u, want deze ganse vergadering, zij allen, zijn heilig, en de HEERE is in het midden van hen; waarom dan verheft gijlieden u over de gemeente des HEEREN?

Als dit hoorde, zo viel hij op zijn aangezicht.

En hij sprak tot , en tot zijn ganse vergadering, zeggende: Morgen vroeg dan zal de HEERE bekend maken, wie de Zijne, en de heilige is, dien Hij tot Zich zal doen naderen; en wien Hij verkoren zal hebben, dien zal Hij tot Zich doen naderen.

Doet dit: neemt u wierookvaten, en zijn ganse vergadering;

En doet morgen vuur daarin, legt reukwerk daarop voor het aangezicht des HEEREN; en het zal geschieden, dat de man, dien de HEERE verkiezen zal, die zal heilig zijn. Het is te veel voor u, gij, kinderen van !

Voorts zeide tot : Hoort toch, gij, kinderen van !

Is het u te weinig, dat de God van Israel u van de vergadering van Israel heeft afgescheiden, om ulieden tot Zich te doen naderen; om den dienst van des HEEREN tabernakel te bedienen, en te staan voor het aangezicht der vergadering, om hen te dienen?

Daar Hij u, en al uw broederen, de kinderen van , met u, heeft doen naderen; zoekt gij nu ook het priesterambt?

Daarom gij, en uw ganse vergadering, gij zijt vergaderd tegen den HEERE, want , wat is hij, dat gij tegen hem murmureert?

En schikte heen, om en , de zonen van Eliab, te roepen; maar zij zeiden: Wij zullen niet opkomen!

Is het te weinig, dat gij ons uit een land, van melk en honig vloeiende, hebt opgevoerd, om ons te doden in de woestijn, dat gij ook uzelven ten enenmaal over ons tot een overheer maakt?

Ook hebt gij ons niet gebracht in een land, dat van melk en honig vloeit, noch ons akkers en wijngaarden ten erfdeel gegeven. Zult gij de ogen dezer mannen uitgraven? Wij zullen niet opkomen!

Toen ontstak zeer, en hij zeide tot den HEERE: Zie hun offer niet aan! Ik heb niet een ezel van hen genomen, en niet een van hen kwaad gedaan.

Voorts zeide tot : Gij, en uw ganse vergadering, weest voor het aangezicht des HEEREN; gij, en zij, ook , op morgen.

En neemt een ieder zijn wierookvat, en legt reukwerk daarin, en brengt voor het aangezicht des HEEREN, een ieder zijn wierookvat, tweehonderd en vijftig wierookvaten; ook gij, en , een ieder zijn wierookvat.

Zo namen zij een ieder zijn wierookvat, en deden vuur daarin, en legden reukwerk daarin; en zij stonden voor de deur van de tent der samenkomst, ook en .

En deed de ganse vergadering tegen hen verzamelen, aan de deur van de tent der samenkomst. Toen verscheen de heerlijkheid des HEEREN aan deze ganse vergadering.

En de HEERE sprak tot en tot , zeggende:

Scheidt u af uit het midden van deze vergadering, en Ik zal hen als in een ogenblik verteren!

Maar zij vielen op hun aangezichten, en zeiden: O God! God der geesten van alle vlees! een enig man zal gezondigd hebben, en zult Gij U over deze ganse vergadering grotelijks vertoornen?

En de HEERE sprak tot , zeggende:

Spreek tot deze vergadering, zeggende: Gaat op van rondom de woning van , en .

Toen stond op, en ging tot en ; en achter hem gingen de oudsten van Israel.

En hij sprak tot de vergadering, zeggende: Wijkt toch af van de tenten dezer goddeloze mannen, en roert niets aan van hetgeen hunner is, opdat gij niet misschien verdaan wordt in al hun zonden.

Zo gingen zij op van de woning van , en , van rondom; maar en gingen uit, staande in de deur hunner tenten, met hun vrouwen, en hun zonen, en hun kinderkens.

Toen zeide : Hieraan zult gij bekennen, dat de HEERE mij gezonden heeft, om al deze daden te doen, dat zij niet uit mijn eigen hart zijn.

Indien deze zullen sterven, gelijk alle mensen sterven, en over hen een bezoeking zal gedaan worden, naar aller mensen bezoeking, zo heeft mij de HEERE niet gezonden.

Maar indien de HEERE wat nieuws zal scheppen, en het aardrijk zijn mond zal opendoen, en verslinden hen met alles wat hunner is, en zij levend ter helle zullen nedervaren; alsdan zult gij bekennen, dat deze mannen de HEERE getergd hebben.

En het geschiedde, als hij geeindigd had al deze woorden te spreken, zo werd het aardrijk, dat onder hen was, gekloofd;

En de aarde opende haar mond, en verslond hen met hun huizen, en allen mensen, die toebehoorden, en al de have.

En zij voeren neder, zij en alles wat hunner was, levend ter helle; en de aarde overdekte hen, en zij kwamen om uit het midden der gemeente.

En het ganse Israel, dat rondom hen was, vlood voor hun geschrei; want zij zeiden: Dat ons de aarde misschien niet verslinde!

Daartoe ging een vuur uit van den HEERE, en verteerde die tweehonderd en vijftig mannen, die reukwerk offerden.

En de HEERE sprak tot , zeggende:

Zeg tot , den zoon van , den priester, dat hij de wierookvaten uit den brand opneme; en strooi het vuur verre weg; want zij zijn heilig;

Te weten de wierookvaten van dezen, die tegen hun zielen gezondigd hebben; dat men uitgerekte platen daarvan make, tot een overdeksel voor het altaar; want zij hebben ze gebracht voor het aangezicht des HEEREN, daarom zijn zij heilig; en zij zullen den kinderen Israels tot een teken zijn.

En , de priester, nam de koperen wierookvaten, die de verbranden gebracht hadden, en zij rekten ze uit tot een overtreksel voor het altaar;

Ter nagedachtenis voor de kinderen Israels, opdat niemand vreemds, die niet uit het zaad van is, nadere om reukwerk aan te steken voor het aangezicht des HEEREN; opdat hij niet worde als , en zijn vergadering, gelijk als hem de HEERE door den dienst van gesproken had.

Maar des anderen daags murmureerde de ganse vergadering der kinderen Israels tegen en tegen , zeggende: Gijlieden hebt des HEEREN volk gedood!

En het geschiedde, als de vergadering zich verzamelde tegen en , en zich wendde naar de tent der samenkomst, ziet, zo bedekte haar die wolk; en de heerlijkheid des HEEREN verscheen.

nu en kwamen tot voor de tent der samenkomst.

Toen sprak de HEERE tot , zeggende:

Maak u op uit het midden van deze vergadering, en Ik zal hen verteren, als in een ogenblik! Toen vielen zij op hun aangezichten.

En zeide tot : Neem het wierookvat, en doe vuur daarin van het altaar, en leg reukwerk daarop, haastelijk gaande tot de vergadering, doe over hen verzoening; want een grote toorn is van voor het aangezicht des HEEREN uitgegaan, de plaag heeft aangevangen.

En nam het, gelijk als gesproken had, en liep in het midden der gemeente, en ziet, de plaag had aangevangen onder het volk; en hij legde reukwerk daarin, en deed verzoening over het volk.

En hij stond tussen de doden en tussen de levenden; alzo werd de plaag opgehouden.

Die nu aan die plaag gestorven zijn, waren veertien duizend en zevenhonderd, behalve die gestorven waren om de zaak van .

En keerde weder tot aan de deur van de tent der samenkomst; en de plaag was opgehouden.