Numeri 13
En de HEERE sprak tot , zeggende:
Zend u mannen uit: die het land verspieden, hetwelk Ik den kinderen Israels geven zal; van elken stam zijner vaderen zult gijlieden een man zenden, zijnde ieder een overste onder hen.
dan zond hen uit de woestijn van , naar den mond des HEEREN; al die mannen waren hoofden der kinderen Israels.
En dit zijn hun namen: van den stam van , , de zoon van .
Van de stam van , , de zoon van .
Van de stam van , , de zoon van .
Van de stam van , , de zoon van .
Van de stam van , Hosea, de zoon van .
Van de stam van , , de zoon van .
Van de stam van , , de zoon van .
Van de stam van , voor den stam van Manasse, , de zoon van .
Van de stam van , , de zoon van .
Van de stam van , , de zoon van .
Van de stam van , , de zoon van .
Van de stam van , , de zoon van .
Dit zijn de namen der mannen, die zond, om dat land te verspieden; en noemde Hosea, den zoon van , .
dan zond hen, om het land te verspieden; en hij zeide tot hen: Trekt dit henen op tegen het zuiden, en klimt op het gebergte;
En beziet het land, hoedanig het zij, en het volk, dat daarin woont, of het sterk zij of zwak, of het weinig zij of veel;
En hoedanig het land zij, waarin hetzelve woont, of het goed zij of kwaad; en hoedanig de steden zijn, in dewelke hetzelve woont, of in legers, of in sterkten;
Ook hoedanig het land zij, of het vet zij of mager, of er bomen in zijn of niet; en versterkt u, en neemt van de vrucht des lands. Die dagen nu waren de dagen der eerste vruchten van de wijndruiven.
Alzo trokken zij op, en verspiedden het land, van de woestijn Zin af tot toe, waar men gaat naar Hamath.
En zij trokken op in het zuiden, en kwamen tot Hebron toe en daar waren , en , kinderen van ; Hebron nu was zeven jaren gebouwd voor in .
Daarna kwamen zij tot het , en sneden van daar een rank af met een tros wijndruiven, dien zij droegen met tweeen, op een draagstok; ook van de granaatappelen en van de vijgen.
Diezelve plaats noemde men het , ter oorzake van den tros, dien de kinderen Israels van daar afgesneden hadden.
Daarna keerden zij weder van het verspieden des lands, ten einde van veertig dagen.
En zij gingen heen, en kwamen tot en tot , en tot de gehele vergadering der kinderen Israels, in de woestijn , naar Kades; en brachten bescheid weder aan hen, en aan de gehele vergadering, en lieten hen de vrucht des lands zien.
En zij vertelden hem, en zeiden: Wij zijn gekomen tot dat land, waarheen gij ons gezonden hebt; en voorwaar, het is van melk en honig vloeiende, en dit is zijn vrucht.
Behalve dat het een sterk volk is, hetwelk in dat land woont, en de steden zijn vast, en zeer groot; en ook hebben wij daar kinderen van Enak gezien.
De Amalekieten wonen in het land van het zuiden; maar de Hethieten, en de Jebusieten, en de Amorieten wonen op het gebergte; en de Kanaanieten wonen aan de zee, en aan den oever van de .
Toen stilde het volk voor , en zeide: Laat ons vrijmoedig optrekken, en dat erfelijk bezitten; want wij zullen dat voorzeker overweldigen!
Maar de mannen, die met hem opgetrokken waren, zeiden: Wij zullen tot dat volk niet kunnen optrekken, want het is sterker dan wij.
Alzo brachten zij een kwaad gerucht voort van het land, dat zij verspied hadden, aan de kinderen Israels, zeggende: Dat land, door hetwelk wij doorgegaan zijn, om het te verspieden, is een land, dat zijn inwoners verteert; en al het volk, hetwelk wij in het midden van hetzelve gezien hebben, zijn mannen van grote lengte.
Wij hebben ook daar de reuzen gezien, en de kinderen van Enak, van de reuzen; en wij waren als sprinkhanen in onze ogen, alzo waren wij ook in hun ogen.