Numeri 1
Voorts sprak de HEERE tot , in de woestijn van Sinai, in de tent der samenkomst, op den eersten der tweede maand, in het tweede jaar, nadat zij uit Egypteland uitgetogen ware, zeggende:
Neem op de som van de gehele vergadering der kinderen Israels, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van al wat mannelijk is, hoofd voor hoofd.
Van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire in Israel uittrekken; die zult gij tellen naar hun heiren, gij en .
En met ulieden zullen zijn van elken stam een man, die een hoofdman is over het huis zijner vaderen.
Deze zijn nu de namen der mannen, die bij u staan zullen: van , , de zoon van .
Van , , de zoon van .
Van , , de zoon van .
Van , , de zoon van .
Van , , de zoon van .
Van de kinderen van : van , , de zoon van ; van Manasse, , de zoon van .
Van , , de zoon van .
Van , , de zoon van .
Van , , de zoon van .
Van , , de zoon van .
Van , , de zoon van .
Dezen waren de geroepenen der vergadering, de oversten der stammen hunner vaderen; zij waren de hoofden der duizenden van Israel.
Toen namen en die mannen, welken met namen uitgedrukt zijn.
En zij verzamelden de gehele vergadering, op den eersten dag der tweede maand; en die verklaarden hun afkomst, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van die twintig jaren oud was en daarboven, hoofd voor hoofd.
Gelijk als de HEERE geboden had, zo heeft hij hen geteld in de woestijn van Sinai.
Zo waren de zonen van , den eerstgeborene van Israel, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, hoofd voor hoofd, al wat mannelijk was, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken;
Hun getelden van den stam van waren zes en veertig duizend en vijfhonderd.
Van de zonen van , hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, zijn getelden, in het getal der namen, hoofd voor hoofd, al wat mannelijk was, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken;
Hun getelden van den stam van waren negen en vijftig duizend en driehonderd.
Van de zonen van , hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken.
Waren hun getelden van den stam van vijf en veertig duizend zeshonderd en vijftig.
Van de zonen van , hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,
Waren hun getelden van den stam van vier en zeventig duizend en zeshonderd.
Van de zonen van , hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,
Waren hun getelden van den stam van vier en vijftig duizend en vierhonderd.
Van de zonen van , hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,
Waren hun getelden van den stam van zeven en vijftig duizend en vierhonderd.
Van de zonen van : van de zonen van , hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,
Waren hun getelden van den stam van veertig duizend en vijfhonderd;
Van de zonen van Manasse, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,
Waren hun getelden van den stam van Manasse twee en dertig duizend en tweehonderd.
Van de zonen van , hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,
Waren hun getelden van den stam van vijf en dertig duizend en vierhonderd.
Van de zonen van , hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,
Waren hun getelden van den stam van twee en zestig duizend en zevenhonderd.
Van de zonen van , hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,
Waren hun getelden van den stam van een en veertig duizend en vijfhonderd.
Van de zonen van , hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,
Waren hun getelden van den stam van drie en vijftig duizend en vierhonderd.
Dezen zijn de getelden, welke geteld heeft, en , en de oversten van Israel; twaalf mannen waren zij, elk over het huis zijner vaderen.
Alzo waren al de getelden der zonen van , naar het huis hunner vaderen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die in ten heire uittrokken,
Al de getelden dan waren zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig.
Maar de Levieten, naar den stam hunner vaderen, werden onder hen niet geteld.
Want de HEERE had tot gesproken, zeggende:
Alleen de stam van zult gij niet tellen, noch hun som opnemen, onder de zonen van Israel.
Maar gij, stel de Levieten over den tabernakel der getuigenis, en over al zijn gereedschap, en over alles, wat daartoe behoort; zij zullen den tabernakel dragen, en al zijn gereedschap; en zij zullen dien bedienen, en zij zullen zich rondom den tabernakel legeren.
En als de tabernakel zal optrekken, de Levieten zullen denzelven afnemen; en wanneer de tabernakel zich legeren zal, zullen de Levieten denzelven oprichten; en de vreemde, die daarbij komt, zal gedood worden.
En de kinderen Israels zullen zich legeren, een iegelijk bij zijn leger, en een iegelijk bij zijn banier, naar hun heiren.
Maar de Levieten zullen zich legeren rondom den tabernakel der getuigenis, opdat geen verbolgenheid over de vergadering van de kinderen Israels zij; daarom zullen de Levieten de wacht van den tabernakel der getuigenis waarnemen.
Zo deden de kinderen Israels; naar alles, wat de HEERE geboden had, zo deden zij.