Micha 1

Het woord des HEEREN, dat geschied is tot , den Morastiet, in de dagen van , en Jehizkia, koningen van ; dat hij gezien heeft over Samaria en .

Hoort, gij volken altemaal! merk op, gij aarde, mitsgaders derzelver volheid! de Heere HEERE nu zal tot een getuige zijn tegen ulieden, de Heere uit den tempel Zijner heiligheid.

Want ziet, de HEERE gaat uit van Zijn plaats, en Hij zal nederdalen en treden op de hoogten der aarde.

En de bergen zullen onder Hem versmelten, en de dalen gekloofd worden, gelijk was voor het vuur, gelijk wateren, die uitgestort worden in de laagte.

Dit alles, om de overtreding van , en om de zonden van het huis Israels; wie is het begin van de overtreding van ? Is het niet Samaria? En wie van de hoogten van ? Is het niet ?

Daarom zal Ik Samaria stellen tot een steenhoop des velds, tot plantingen eens wijngaards; en Ik zal haar stenen in de vallei storten, en haar fundamenten ontdekken.

En al haar gesneden beelden zullen vermorzeld worden, en al haar hoerenbeloningen zullen met vuur verbrand worden, en al haar afgoden zal Ik stellen tot een woestheid; want zij heeft ze van hoerenloon vergaderd, en zij zullen tot hoerenloon wederkeren.

Hierom zal ik misbaar bedrijven en huilen; ik zal beroofd en naakt gaan; ik zal misbaar maken als de draken, en treuren als de jonge struisen.

Want haar plagen zijn dodelijk; want zij zijn gekomen tot aan ; hij is geraakt tot aan de poort mijns volks, tot aan .

Verkondigt het niet te Gath, weent zo jammerlijk niet; wentelt u in het stof in het huis van Afra.

Ga door, gij inwoneres van ! met blote schaamte; de inwoneres van Zaanan gaat niet uit; rouwklage is te Beth-haezel; hij zal zijn stand van ulieden nemen.

Want de inwoneres van is krank om des goeds wil; want een kwaad is van den HEERE afgedaald, tot aan de poort van .

Span de snelle dieren aan den wagen, gij inwoners van ! (deze is der dochter Sions het beginsel der zonde) want in u zijn Israels overtredingen gevonden.

Daarom geef geschenken aan Morescheth-Gaths; de huizen van Achzib zullen den koningen van Israel tot een leugen zijn.

Ik zal u nog een erfgenaam toebrengen, gij inwoneres van ! Hij zal komen tot aan , tot aan de heerlijkheid Israels.

Maak u kaal en scheer u, om uw troetelkinderen; verwijd uw kaalheid, als de arend, omdat zij gevankelijk van u zijn weggevoerd.