Joël 3

Want ziet, in die dagen en te dier tijd, als Ik de gevangenis van en zal wenden;

Dan zal Ik alle heidenen vergaderen, en zal hen afvoeren in het ; en Ik zal met hen aldaar richten, vanwege Mijn volk en Mijn erfdeel Israel, dat zij onder de heidenen hebben verstrooid, en Mijn land gedeeld;

En hebben het lot over Mijn volk geworpen en een knechtje gegeven om een hoer, en een meisje verkocht om wijn, dat zij mochten drinken.

En ook, wat hebt gij met Mij te doen, gij en , en alle grenzen van Palestina! Zoudt gij Mij een vergelding wedergeven? Maar zo gij Mij wilt vergelden, lichtelijk, haastelijk, zal Ik uw vergelding op uw hoofd wederbrengen.

Omdat gij Mijn zilver en Mijn goud hebt weggenomen, en hebt Mijn beste kleinodien in uw tempels gebracht.

En gij hebt de kinderen van en de kinderen van verkocht aan de kinderen der Grieken, opdat gij hen verre van hun landpale, mocht brengen.

Ziet, Ik zal ze opwekken uit de plaats, waarhenen gij ze hebt verkocht; en Ik zal uw vergelding wederbrengen op uw hoofd.

En Ik zal uw zonen en uw dochteren verkopen in de hand der kinderen van , die ze verkopen zullen aan die van , aan een vergelegen volk; want de HEERE heeft het gesproken.

Roept dit uit onder de heidenen, heiligt een krijg; wekt de helden op, laat naderen, laat optrekken alle krijgslieden.

Slaat uw spaden tot zwaarden, en uw sikkelen tot spiesen; de zwakke zegge: Ik ben een held.

Rot te hoop, en komt aan, alle gij volken van rondom, en vergadert u! (O HEERE, doe Uw helden derwaarts nederdalen!)

De heidenen zullen zich opmaken, en optrekken naar het ; maar aldaar zal Ik zitten, om te richten alle heidenen van rondom.

Slaat de sikkel aan, want de oogst is rijp geworden; komt aan, daalt henen af, want de pers is vol, en de perskuipen lopen over; want hunlieder boosheid is groot.

Menigten, menigten in het dal des dorswagens; want de dag des HEEREN is nabij, in het dal des dorswagens.

De zon en maan zijn zwart geworden, en de sterren hebben haar glans ingetrokken.

En de HEERE zal uit brullen, en uit Zijn stem geven, dat hemel en aarde beven zullen; maar de HEERE zal de Toevlucht Zijns volks, en de Sterkte der kinderen Israels zijn.

En gijlieden zult weten, dat Ik de HEERE, uw God ben, wonende op , den berg Mijner heiligheid; en zal een heiligheid zijn, en vreemden zullen niet meer door haar doorgaan.

En het zal te dien dage geschieden dat de bergen van zoeten wijn zullen druipen, en de heuvelen van melk vlieten, en alle stromen van vol van water gaan; en er zal een fontein uit het huis des HEEREN uitgaan, en zal het bewateren.

zal tot verwoesting worden, en zal worden tot een woeste wildernis, om het geweld, gedaan aan de kinderen van , in welker land zij onschuldig bloed vergoten hebben.

Maar zal blijven in eeuwigheid, en van geslacht tot geslacht.

En Ik zal hunlieder bloed reinigen, dat Ik niet gereinigd had; en de HEERE zal wonen op .