Jeremia 45
Het woord, dat de profeet gesproken heeft tot Baruch, den zoon van , als hij die woorden uit den mond van in een boek schreef, in het vierde jaar van Jojakim, den zoon van Josia, den koning van , zeggende:
Alzo zegt de HEERE, de God Israels, van u, o !
Gij zegt: Wee nu mij, want de HEERE heeft droefenis tot mijn smart gedaan; ik ben moede van mijn zuchten, en vind geen rust!
Zo zult gij tot hem zeggen: Zo zegt de HEERE: Zie, dat Ik gebouwd heb, breek Ik af, en dat Ik geplant heb, ruk Ik uit, zelfs dit ganse land.
En zoudt gij u grote dingen zoeken? Zoek ze niet; want zie, Ik breng een kwaad over alle vlees, spreekt de HEERE; maar Ik zal u uw ziel tot een buit geven, in alle plaatsen, waar gij zult henentrekken.