Jeremia 40

Het woord, dat van den HEERE geschied is tot , nadat , de overste der trawanten, hem had laten gaan van Rama; als hij hem had laten halen, daar hij met ketenen gebonden was in het midden aller gevangenen van en , die naar gevankelijk werden weggevoerd.

Want de overste der trawanten liet halen, en zeide tot hem: De HEERE, uw God, heeft dit kwaad over deze plaats gesproken.

En de HEERE heeft het doen komen, en gedaan, gelijk als Hij gesproken had; want gijlieden hebt gezondigd tegen den HEERE, en Zijner stem niet gehoorzaamd; daarom is ulieden deze zaak geschied.

Nu dan, zie, ik heb u heden losgemaakt van de ketenen, die aan uw hand waren; indien het goed is in uw ogen met mij naar te komen, zo kom, en ik zal mijn oog op u stellen; maar indien het kwaad is in uw ogen met mij naar te komen, zo laat het; zie, het ganse land is voor uw aangezicht, waarhenen het goed en recht in uw ogen is te gaan, ga daar.

En dewijl hij nog niet zal wederkeren, zo keer gij tot , den zoon van , den zoon van , dien de koning van over de steden van gesteld heeft; en woon bij hem in het midden des volks; of overal, waar het in uw ogen recht is te gaan, ga er henen. En de overste der trawanten gaf hem reiskost en een geschenk, en liet hem gaan.

Alzo kwam tot , den zoon van , te Mizpa; en hij woonde bij hem in het midden des volks, die in het land waren overgelaten.

Toen nu alle oversten der heiren, die in het veld waren, zij en hun mannen, hoorden, dat de koning van , den zoon van , over het land gesteld had, en dat hij aan hem bevolen had de mannen, en de vrouwen, en de kinderkens, en van de armsten des lands, van degenen, die niet naar gevankelijk waren weggevoerd;

Zo kwamen zij tot te Mizpa, namelijk, , de zoon van , en en Jonathan, de zonen van , en Seraja, de zoon van , en de zonen van , den Netofathiet, en , de zoon eens Maachathiets, zij en hun mannen.

En , de zoon van , den zoon van , zwoer hun en hun mannen, zeggende: Vreest niet van de Chaldeen te dienen; blijft in het land, en dient den koning van , zo zal het u welgaan.

En ziet, ik woon te Mizpa, om te staan voor het aangezicht der Chaldeen, die tot ons zullen komen; gijlieden dan verzamelt wijn, en zomervruchten, en olie, en doet ze in uw vaten, en woont in uw steden, die gij hebt ingenomen.

Als ook al de Joden, die in , en onder de kinderen Ammons, en in , en die in al die landen waren, hoorden, dat de koning van in een overblijfsel gelaten had; en dat hij , den zoon van , den zoon van , over hen gesteld had;

Zo keerden al de Joden weder uit al de plaatsen, waarhenen zij gedreven waren, en kwamen in het land van tot te Mizpa; en zij verzamelden zeer veel wijns en zomervruchten.

Doch , de zoon van , en alle oversten der heiren, die in het veld waren, kwamen tot te Mizpa;

En zeiden tot hem: Weet gij wel, dat , de koning der kinderen Ammons, , den zoon van , uitgezonden heeft, om u aan het leven te slaan? Maar , de zoon van , geloofde hen niet.

nochtans, de zoon van , sprak tot , in het verborgene, te Mizpa, zeggende: Laat mij toch henengaan, en , den zoon van , slaan, en niemand zal het weten; waarom zou hij u aan het leven slaan, en gans , die tot u vergaderd zijn, verstrooid worden, en het overblijfsel van verloren gaan?

Maar , de zoon van , zeide tot , den zoon van : Doe deze zaak niet, want gij spreekt vals van .