Exodus 6

Toen zeide de HEERE tot : Nu zult gij zien, wat Ik aan Farao doen zal; want door een machtige hand zal hij hen laten trekken, ja, door een machtige hand zal hij hen uit zijn land drijven.

Verder sprak God tot , en zeide tot hem: Ik ben de HEERE,

En Ik ben aan , , en verschenen, als God de Almachtige; doch met Mijn Naam HEERE ben Ik hun niet bekend geweest.

En ook heb Ik Mijn verbond met hen opgericht, dat Ik hun geven zou het land , het land hunner vreemdelingschappen, waarin zij vreemdelingen geweest zijn.

En ook heb Ik gehoord het gekerm der kinderen Israels, die de in dienstbaarheid houden, en Ik heb aan Mijn verbond gedacht.

Derhalve zeg tot de kinderen Israels: Ik ben de HEERE! en Ik zal ulieden uitleiden van onder de lasten der Egyptenaren, en Ik zal u redden uit hun dienstbaarheid, en zal u verlossen door een uitgestrekten arm, en door grote gerichten;

En Ik zal ulieden tot Mijn volk aannemen, en Ik zal u tot een God zijn; en gijlieden zult bekennen, dat Ik de HEERE uw God ben, Die u uitleide van onder de lasten der Egyptenaren.

En Ik zal ulieden brengen in dat land, waarover Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik het aan , , en geven zou; en Ik zal het ulieden geven tot een erfdeel, Ik, de HEERE!

En sprak alzo tot de kinderen Israels; doch zij hoorden naar niet, vanwege de benauwdheid des geestes, en vanwege de harde dienstbaarheid.

Verder sprak de HEERE tot , zeggende:

Ga heen, spreek tot Farao, den koning van , dat hij de kinderen Israels uit zijn land trekken late.

Doch sprak voor den HEERE, zeggende: Zie, de kinderen Israels hebben naar mij niet gehoord; hoe zou mij dan Farao horen? daartoe ben ik onbesneden van lippen.

Evenwel sprak de HEERE tot en tot , en gaf hun bevel aan de kinderen Israels, en aan Farao, den koning van , om de kinderen Israels uit Egypteland te leiden.

Dit zijn de hoofden van ieder huis hunner vaderen: de zonen van , den eerstgeborene van , zijn en , en Charmi; dit zijn de huisgezinnen van .

En de zonen van : , en , en , en , en Zohar, en Saul, de zoon ener Kanaanietische; dit zijn de huisgezinnen van .

Dit nu zijn de namen der zonen van , naar hun geboorten: , en , en . En de jaren des levens van waren honderd zeven en dertig jaren.

De zonen van : en , naar hun huisgezinnen.

En de zonen van : , en , en , en , en de jaren des levens van waren honderd drie en dertig jaren.

En de zonen van : en ; dit zijn de huisgezinnen van , naar hun geboorten.

En nam , zijn moei, zich tot een huisvrouw, en zij baarde hem en ; en de jaren des levens van waren honderd zeven en dertig jaren.

En de zonen van Jizhar: Korah, en , en .

En de zonen van : , en , en .

En nam zich tot een vrouw , dochter van , zuster van ; en zij baarde hem Nadab en , en .

En de zonen van Korah waren: , en , en ; dat zijn de huisgezinnen der Korachieten.

En , de zoon van , nam voor zich een van de dochteren van tot een vrouw; en zij baarde hem . Dit zijn de hoofden van de vaderen der Levieten, naar hun huisgezinnen.

Dit is en , tot welke de HEERE zeide: de kinderen Israels uit Egypteland, naar hun heiren.

Dezen zijn het, die tot Farao, den koning van , spraken, opdat zij de kinderen Israels uit leidden; dit is en .

En het geschiedde te dien dage, als de HEERE tot sprak in Egypteland;

Zo sprak de HEERE tot , zeggende: Ik ben de HEERE! spreek tot Farao, den koning van , alles, wat Ik tot u spreek.

Toen zeide voor het aangezicht des HEEREN: Zie, ik ben onbesneden van lippen; hoe zal dan Farao naar mij horen?