Exodus 19

In de derde maand, na het uittrekken der kinderen Israels uit Egypteland, ten zelfden dage kwamen zij in de woestijn Sinai.

Want zij togen uit , en kwamen in de woestijn Sinai, en zij legerden zich in de woestijn; nu legerde zich aldaar tegenover dien berg.

En klom op tot God. En de HEERE riep tot hem van den berg, zeggende: Aldus zult gij tot het huis van spreken, en den kinderen Israels verkondigen:

Gijlieden hebt gezien, wat Ik den Egyptenaren gedaan heb; hoe Ik u op vleugelen der arenden gedragen en u tot Mij gebracht hebt.

Nu dan, indien gij naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult gij Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de ganse aarde is Mijn;

En gij zult Mij een priesterlijk koninkrijk, en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden, die gij tot de kinderen Israels spreken zult.

En kwam en riep de oudsten des volks, en stelde voor hun aangezichten al deze woorden, die de HEERE hem geboden had.

Toen antwoordde al het volk gelijkelijk, en zeide: Al wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen! En bracht de woorden des volks weder tot den HEERE.

En de HEERE zeide tot : Zie, Ik zal tot u komen in een dikke wolk, opdat het volk hore, als Ik met u spreek, en dat zij ook eeuwiglijk aan u geloven. Want had de HEERE de woorden des volks verkondigd.

Ook zeide de HEERE tot : Ga tot het volk, en heilig hen heden en morgen, en dat zij hun klederen wassen,

En bereid zijn tegen den derden dag; want op den derden dag zal de HEERE voor de ogen van al het volk afkomen, op den berg Sinai.

En bepaal het volk rondom, zeggende: Wacht u op den berg te klimmen, en deszelfs einde aan te roeren; al wie den berg aanroert, zal zekerlijk gedood worden.

Geen hand zal hem aanroeren, maar hij zal zekerlijk gestenigd, of zekerlijk doorschoten worden; hetzij een beest, hetzij een man, hij zal niet leven. Als de ramshoorn langzaam gaat, zullen zij op den berg klimmen.

Toen ging van den berg af tot het volk, en hij heiligde het volk; en zij wiesen hun klederen.

En hij zeide tot het volk: Weest gereed tegen den derden dag, en nadert niet tot de vrouw.

En het geschiedde op den derden dag, toen het morgen was, dat er op den berg donderen en bliksemen waren, en een zware wolk, en het geluid ener zeer sterke bazuin, zodat al het volk verschrikte, dat in het leger was.

En leidde het volk uit het leger, Gode tegemoet; en zij stonden aan het onderste des bergs.

En de ganse berg Sinai rookte, omdat de HEERE op denzelven nederkwam in vuur; en zijn rook ging op, als de rook van een oven; en de ganse berg beefde zeer.

Toen het geluid der bazuin gaande was, en zeer sterk werd, sprak ; en God antwoordde hem met een stem.

Als de HEERE nedergekomen was op den berg Sinai, op de spits des bergs, zo riep de HEERE op de spits des bergs; en klom op.

En de HEERE zeide tot : Ga af, betuig dit volk, dat zij niet doorbreken tot den HEERE, om te zien, en velen van hen vallen.

Daartoe zullen ook de priesters, die tot den HEERE naderen, zich heiligen, dat de HEERE niet tegen hen uitbreke.

Toen zeide tot den HEERE: Het volk zal op den berg Sinai niet kunnen klimmen, want Gij hebt ons betuigd, zeggende: Bepaal den berg, en heilig hem.

De HEERE dan zeide tot hem: Ga heen, klim af, daarna zult gij, en met u, opklimmen; doch dat de priesters en het volk niet doorbreken, om op te klimmen tot den HEERE, dat Hij tegen hen niet uitbreke.

Toen klom af tot het volk, en zeide het hun aan.