Exodus 17

Daarna toog de ganse vergadering van de kinderen Israels, naar hun dagreizen, uit de woestijn , op het bevel des HEEREN, en zij legerden zich te . Daar nu was geen water voor het volk om te drinken.

Toen twistte het volk met , en zeide: Geeft gijlieden ons water, dat wij drinken! dan zeide tot hen: Wat twist gij met mij? Waarom verzoekt gij den HEERE?

Toen nu het volk aldaar dorstte naar water, zo murmureerde het volk tegen , en het zeide: Waartoe hebt gij ons nu uit doen optrekken, opdat gij mij, en mijn kinderen, en mijn vee, van dorst deed sterven?

Zo riep tot den HEERE, zeggende: Wat zal ik dit volk doen? Er feilt niet veel aan, of zij zullen mij stenigen.

Toen zeide de HEERE tot : Ga heen voor het aangezicht des volks, en neem met u uit de oudsten van ; en neem uw staf in uw hand, waarmede gij de rivier sloegt, en ga heen.

Zie, Ik zal aldaar voor uw aangezicht op den rotssteen in staan; en gij zult op den rotssteen slaan, zo zal er water uitgaan, dat het volk drinke. nu deed alzo voor de ogen der oudsten van .

En hij noemde den naam dier plaats en , om de twist der kinderen Israels, en omdat zij den HEERE verzocht hadden, zeggende: Is de HEERE in het midden van ons, of niet?

Toen kwam en streed tegen in .

dan zeide tot : Kies ons mannen, en trek uit, strijd tegen ; morgen zal ik op de hoogte des heuvels staan, en de staf Gods zal in mijn hand zijn.

nu deed, als hem gezegd had, strijdende tegen ; doch , en klommen op de hoogte des heuvels.

En het geschiedde, terwijl zijn hand ophief, zo was de sterkste; maar terwijl hij zijn hand nederliet, zo was de sterkste.

Doch de handen van werden zwaar; daarom namen zij een steen, en legden dien onder hem, dat hij daarop zat; en en onderstutten zijn handen, de een op deze, en ander op de andere zijde; alzo waren zijn handen gewis, totdat de zon onderging.

Alzo dat en zijn volk krenkte, door de scherpte des zwaards.

Toen zeide de HEERE tot : Schrijf dit ter gedachtenis in een boek, en leg het in de oren van , dat Ik de gedachtenis van geheel uitdelgen zal van onder den hemel.

En bouwde een altaar; en hij noemde deszelfs naam: De HEERE is mijn Banier!

En hij zeide: Dewijl de hand op den troon des HEEREN is, zo zal de oorlog des HEEREN tegen zijn, van geslacht tot geslacht!