Psalmen 47
Een psalm, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van .
Al gij volken, klapt in de hand; juicht Gode met een stem van vreugdegezang.
Want de HEERE, de Allerhoogste, is vreselijk, een groot Koning over de ganse aarde.
Hij brengt de volken onder ons, en de natien onder onze voeten.
Hij verkiest voor ons onze erfenis, de heerlijkheid van , dien Hij heeft liefgehad. Sela.
God vaart op met gejuich, de HEERE met geklank der bazuin.
Psalmzingt Gode, psalmzingt! Psalmzingt onzen Koning, psalmzingt!
Want God is een Koning der ganse aarde; psalmzingt met een onderwijzing!
God regeert over de heidenen; God zit op den troon Zijner heiligheid. De edelen der volken zijn verzameld tot het volk van den God van ; want de schilden der aarde zijn Godes. Hij is zeer verheven!