Nehemia 7

Voorts geschiedde het, als de muur gebouwd was, dat ik de deuren oprichtte, en de poortiers, en de zangers, en de Levieten werden besteld.

En ik gaf bevel aan mijn broeder , en aan Hananja, den overste van den burg te , want hij was als een man van getrouwheid, en godvrezende boven velen.

En ik zeide tot hen: Laat de poorten van niet geopend worden, totdat de zon heet wordt, en terwijl zij daarbij staan, laat hen de deuren sluiten, betast gij ze dan; en dat men wachten zette, inwoners van , een iegelijk op zijn wacht, en een iegelijk tegenover zijn huis.

De stad nu was wijd van ruimte en groot; doch des volks was weinig daarbinnen; en de huizen waren niet gebouwd.

Zo gaf mijn God in mijn hart, dat ik de edelen, en de overheden, en het volk verzamelde, om de geslachten te rekenen; en ik vond het geslachtsregister dergenen, die in het eerst waren opgetogen, en vond daarin geschreven aldus:

Dit zijn de kinderen van dat landschap, die optogen uit de gevangenis der weggevoerden, die , koning van , weggevoerd had, en die wedergekeerd zijn naar en naar , een iegelijk tot zijn stad;

Dewelke kwamen met , , , Azaria, , , , , , , en Baena. Dit is het getal der mannen van het volk van Israel.

De kinderen van waren twee duizend, honderd twee en zeventig;

De kinderen van , driehonderd twee en zeventig;

De kinderen van , zeshonderd twee en vijftig;

De kinderen van , van de kinderen van Jesua en Joab, twee duizend, achthonderd en achttien;

De kinderen van , duizend, tweehonderd vier en vijftig;

De kinderen van , achthonderd vijf en veertig;

De kinderen van , zevenhonderd en zestig;

De kinderen van , zeshonderd acht en veertig;

De kinderen van , zeshonderd acht en twintig;

De kinderen van , twee duizend, driehonderd twee en twintig;

De kinderen van , zeshonderd zeven en zestig;

De kinderen van , twee duizend, zeven en zestig;

De kinderen van , zeshonderd vijf en vijftig;

De kinderen van , van Hizkia, acht en negentig;

De kinderen van , driehonderd acht en twintig;

De kinderen van , driehonderd vier en twintig;

De kinderen van Harif, honderd en twaalf;

De kinderen van Gibeon, vijf en negentig;

De mannen van Bethlehem en , honderd acht en tachtig;

De mannen van , honderd acht en twintig;

De mannen van , twee en veertig;

De mannen van Kirjath-, Cefira en Beeroth, zevenhonderd drie en veertig;

De mannen van Rama en Gaba, zeshonderd en twintig;

De mannen van , honderd twee en twintig;

De mannen van Beth-El en Ai, honderd drie en twintig;

De mannen van het andere Nebo, twee en vijftig;

De kinderen des anderen Elams, duizend, tweehonderd vier en vijftig;

De kinderen van , driehonderd en twintig;

De kinderen van Jericho, driehonderd vijf en veertig;

De kinderen van , en , zevenhonderd een en twintig;

De kinderen van Senaa, drie duizend, negenhonderd en dertig;

De priesters: de kinderen van Jedaja, van het huis van , negenhonderd drie en zeventig;

De kinderen van Immer, duizend twee en vijftig;

De kinderen van , duizend, tweehonderd zeven en veertig;

De kinderen van , duizend en zeventien;

De Levieten: de kinderen van Jesua, van , van de kinderen van , vier en zeventig;

De zangers: de kinderen van , honderd acht en veertig;

De poortiers: de kinderen van Sallum, de kinderen van , de kinderen van , de kinderen van Akkub, de kinderen van , de kinderen van , honderd acht en dertig;

De Nethinim: de kinderen van , de kinderen van , de kinderen van ;

De kinderen van , de kinderen van , de kinderen van ;

De kinderen van , de kinderen van , de kinderen van ;

De kinderen van , de kinderen van , de kinderen van ;

De kinderen van , de kinderen van , de kinderen van ;

De kinderen van , de kinderen van Uzza, de kinderen van Paseah;

De kinderen van Bezai, de kinderen van , de kinderen van ;

De kinderen van , de kinderen van , de kinderen van ;

De kinderen van " class="inline align-text-bottom hover:opacity-70 cursor-pointer">, de kinderen van , de kinderen van ;

De kinderen van , de kinderen van Sisera, de kinderen van ;

De kinderen van , de kinderen van ;

De kinderen der knechten van Salomo; de kinderen van , de kinderen van , de kinderen van ;

De kinderen van , de kinderen van , de kinderen van ;

De kinderen van Sefatja, de kinderen van , de kinderen van van , de kinderen van Amon;

Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig.

Ook togen dezen op van Thel-melah, Thel-harsa, , en ; maar zij konden hunner vaderen huis, en hun zaad niet tonen, of zij uit Israel waren;

De kinderen van , de kinderen van , de kinderen van , zeshonderd twee en veertig.

En van de priesteren, de kinderen van , de kinderen van , de kinderen van , die een vrouw van de dochteren van , den Gileadiet, genomen had, en naar hun naam genoemd was.

Dezen zochten hun geschrift, willende hun geslacht rekenen, maar het werd niet gevonden; daarom werden zij als onreinen van het priesterdom geweerd.

En Hattirsatha zeide tot hen, dat zij van de heiligste dingen niet zouden eten, totdat er een priester stond met urim en thummim.

Deze ganse gemeente te zamen was twee en veertig duizend, driehonderd en zestig;

Behalve hun knechten en hun maagden, die waren zeven duizend, driehonderd zeven en dertig; en zij hadden tweehonderd vijf en veertig zangers en zangeressen.

Hun paarden, zevenhonderd zes en dertig; hun muildieren, tweehonderd vijf en veertig;

Kemelen, vierhonderd vijf en dertig; ezelen, zes duizend, zevenhonderd en twintig.

Een deel nu van de hoofden der vaderen gaven tot het werk. Hattirsatha gaf tot den schat, aan goud, duizend drachmen, vijftig sprengbekkens, vijfhonderd en dertig priesterrokken.

En anderen van de hoofden der vaderen gaven tot den schat des werks, aan goud, twintig duizend drachmen, en aan zilver, twee duizend en tweehonderd ponden.

En wat de overigen des volks gaven, was aan goud, twintig duizend drachmen, en aan zilver, twee duizend mijnen, en zeven en zestig priesterrokken.

En de priesters, en de Levieten, en de poortiers, en de zangers, en sommigen van het volk, en de Nethinim, en gans , woonden in hun steden.