Nehemia 11

Voorts woonden de oversten des volks te ; maar het overige des volks wierpen loten, om uit tien een uit te brengen, die in de heilige stad zou wonen, en negen delen in de andere steden.

En het volk zegende al de mannen, die vrijwilliglijk aanboden te te wonen.

En dit zijn de hoofden van het landschap, die te woonden; (maar in de steden van woonden, een iegelijk op zijn bezitting, in hun steden, Israel, de priesters, en de Levieten, en de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo).

Te dan woonden sommigen van de kinderen van , en van de kinderen van . Van de kinderen van : , de zoon van , den zoon van , den zoon van Amarja, den zoon van , den zoon van , van de kinderen van ;

En Maaseja, de zoon van Baruch, den zoon van Kol-hose, den zoon van , den zoon van , den zoon van , den zoon van Zacharja, den zoon van .

Alle kinderen van , die te woonden, waren vierhonderd acht en zestig dappere mannen.

En dit zijn de kinderen van : , de zoon van Mesullam, den zoon van , den zoon van Pedaja, den zoon van , den zoon van Maaseja, den zoon van , den zoon van ;

En na hem , ; negenhonderd acht en twintig.

En , de zoon van , was opziener over hen; en , de zoon van , was de tweede over de stad.

Van de priesteren: Jedaja, de zoon van Jojarib, ;

, de zoon van , den zoon van Mesullam, den zoon van , den zoon van , den zoon van , was voorganger van Gods huis;

En hun broederen, die het werk in het huis deden, waren achthonderd twee en twintig. En Adaja, de zoon van , den zoon van , den zoon van , den zoon van Zacharja, den zoon van , den zoon van Malchia;

En zijn broederen, hoofden der vaderen, waren tweehonderd twee en veertig. En , de zoon van , den zoon van , den zoon van Mesillemoth, den zoon van ;

En hun broederen, dappere helden, waren honderd acht en twintig; en opziener over hen was , de zoon van .

En van de Levieten: Semaja, de zoon van Hassub, den zoon van , den zoon van Hasabja, den zoon van .

En Sabbethai, en Jozabad, van de hoofden der Levieten, waren over het buitenwerk van het huis Gods.

En , de zoon van Micha, den zoon van Zabdi, den zoon van Asaf, was het hoofd, die de dankzegging begon in het gebed, en was de tweede van zijn broederen; en Abda, de zoon van Sammua, den zoon van , den zoon van .

Al de Levieten in de heilige stad waren tweehonderd vier en tachtig.

En de poortiers: Akkub, , met hun broederen, die wacht hielden in de poorten, waren honderd twee en zeventig.

Het overige nu van Israel, van de priesters en de Levieten, was in alle steden van , een iegelijk in zijn erfdeel.

En de Nethinim woonden in ; en en waren over de Nethinim.

En der Levieten opziener te was , de zoon van Bani, den zoon van Hasabja, den zoon van Matthanja, den zoon van Micha; van de kinderen van waren de zangers tegenover het werk van Gods huis.

Want er was een gebod des konings van hen, te weten, een zeker onderhoud voor de zangers, van elk dagelijks op zijn dag.

En Petahja, de zoon van Mesezabeel, van de kinderen van , den zoon van , was aan des konings hand, in alle zaken tot het volk.

In de dorpen nu op hun akkers woonden sommigen van de kinderen van , in Kirjath- en haar onderhorige plaatsen, en in en haar onderhorige plaatsen, en in en haar dorpen;

En te , en te , en te ,

En te Hazar-Sual, en in Ber-Seba, en haar onderhorige plaatsen,

En te , en in en haar onderhorige plaatsen,

En te , en te , en te ,

Zanoah, en haar dorpen, en haar akkers, en haar onderhorige plaatsen; en zij legerden zich van Ber-seba af tot aan het dal Hinnom.

De kinderen van nu van Geba woonden in , en , en Beth-El, en haar onderhorige plaatsen,

, , ,

Hazor, Rama, ,

, , ,

, en , in het dal der werkmeesters.

Van de Levieten nu, woonden sommigen in de verdelingen van , en van .