Ezra 2

Dit zijn de kinderen van dat landschap, die optogen uit de gevangenis, van de weggevoerden, die , koning van , weggevoerd had naar , die naar en zijn wedergekeerd, een iegelijk naar zijn stad;

Dewelken kwamen met , , , , , , , , , en . Dit is het getal der mannen des volks van Israel.

De kinderen van , twee duizend honderd twee en zeventig.

De kinderen van , driehonderd twee en zeventig.

De kinderen van , zevenhonderd vijf en zeventig.

De kinderen van , van de kinderen van -Joab, twee duizend achthonderd en twaalf.

De kinderen van , duizend tweehonderd vier en vijftig.

De kinderen van , negenhonderd zestig.

De kinderen van , zevenhonderd zestig.

De kinderen van , zeshonderd twee en veertig.

De kinderen van , zeshonderd drie en twintig.

De kinderen van , duizend tweehonderd twee en twintig.

De kinderen van , zeshonderd zes en zestig.

De kinderen van , twee duizend zes en vijftig.

De kinderen van , vierhonderd vier en vijftig.

De kinderen van , van Hizkia, acht en negentig.

De kinderen van , driehonderd drie en twintig.

De kinderen van , honderd en twaalf.

De kinderen van , tweehonderd drie en twintig.

De kinderen van , vijf en negentig.

De kinderen van Bethlehem, honderd drie en twintig.

De mannen van , zes en vijftig.

De mannen van , honderd acht en twintig.

De kinderen van , twee en veertig.

De kinderen van , Cefira en Beeroth, zevenhonderd drie en veertig.

De kinderen van Rama en Gaba, zeshonderd een en twintig.

De mannen van , honderd twee en twintig.

De mannen van Beth-El en Ai, tweehonderd drie en twintig.

De kinderen van , twee en vijftig.

De kinderen van , honderd zes en vijftig.

De kinderen van den anderen Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig.

De kinderen van , driehonderd en twintig.

De kinderen van , en , zevenhonderd vijf en twintig.

De kinderen van Jericho, driehonderd vijf en veertig.

De kinderen van , drie duizend zeshonderd en dertig.

De priesters. De kinderen van Jedaja, van het huis van , negenhonderd drie en zeventig.

De kinderen van Immer, duizend twee en vijftig.

De kinderen van , duizend tweehonderd zeven en veertig.

De kinderen van , duizend en zeventien.

De Levieten. De kinderen van en , van de kinderen van , vier en zeventig.

De zangers. De kinderen van honderd acht en twintig.

De kinderen der poortiers. De kinderen van Sallum, de kinderen van , de kinderen van , de kinderen van Akkub, de kinderen van , de kinderen van ; deze allen waren honderd negen en dertig.

De Nethinim. De kinderen van , de kinderen van , de kinderen van ;

De kinderen van , de kinderen van , de kinderen van ;

De kinderen van , de kinderen van , de kinderen van ;

De kinderen van , de kinderen van , de kinderen van ;

De kinderen van , de kinderen van , de kinderen van ;

De kinderen van , de kinderen van , de kinderen van ;

De kinderen van , de zonen van , de kinderen van Bezai;

De kinderen van , de kinderen der , de kinderen der ;

De kinderen van , de kinderen van , de kinderen van ;

De kinderen van , de kinderen van , de kinderen van ;

De kinderen van , de kinderen van , de kinderen van ;

De kinderen van , de kinderen van .

De kinderen der knechten van Salomo. De kinderen van , de kinderen van , de kinderen van ;

De kinderen van , de kinderen van , de kinderen van ;

De kinderen van Sefatja, de kinderen van , de kinderen van " class="inline align-text-bottom hover:opacity-70 cursor-pointer">Pocheret-, de kinderen van .

Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig.

Dezen togen ook op van Tel-melah, , , Addan en ; doch zij konden hunner vaderen huis en hun zaad niet bewijzen, of zij uit Israel waren.

De kinderen van , de kinderen van , de kinderen van , zeshonderd twee en vijftig.

En van de kinderen der priesteren, de kinderen van , de kinderen van , de kinderen van , die van de dochteren van , den Gileadiet, een vrouw genomen had, en naar hun naam genoemd was.

Dezen zochten hun register, onder degenen, die in het geslachtsregister gesteld waren, maar zij werden niet gevonden; daarom werden zij als onreinen van het priesterdom geweerd.

En Hattirsatha zeide tot hen, dat zij van de heiligste dingen niet zouden eten, totdat er een priester stond met urim en met thummim.

Deze ganse gemeente te zamen was twee en veertig duizend driehonderd en zestig.

Behalve hun knechten en hun maagden, die waren zeven duizend driehonderd zeven en dertig; en zij hadden tweehonderd zangers en zangeressen.

Hun paarden waren zevenhonderd zes en dertig; hun muildieren, tweehonderd vijf en veertig;

Hun kemelen, vierhonderd vijf en dertig; de ezelen, zes duizend zevenhonderd en twintig.

En sommigen van de hoofden der vaderen, als zij kwamen ten huize des HEEREN, die te woont, gaven vrijwilliglijk ten huize Gods, om dat te zetten op zijn vaste plaats.

Zij gaven naar hun vermogen tot den schat des werks, aan goud, een en zestig duizend drachmen, en aan zilver, vijf duizend ponden, en honderd priesterrokken.

En de priesters en de Levieten, en sommigen uit het volk, zo de zangers als de poortiers, en de Nethinim woonden in hun steden, en gans Israel in zijn steden.