Ezra 1
In het eerste jaar nu van , koning van Perzie, opdat volbracht wierd het woord des HEEREN, uit den mond van , verwekte de HEERE den geest van , koning van Perzie, dat hij een stem liet doorgaan door zijn ganse koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende:
Zo zegt , koning van Perzie: De HEERE, de God des hemels, heeft mij alle koninkrijken der aarde gegeven; en Hij heeft mij bevolen Hem een huis te bouwen te , hetwelk in is.
Wie is onder ulieden van al Zijn volk? Zijn God zij met hem, en hij trekke op naar , dat in is, en hij bouwe het huis des HEEREN, des Gods van Israel; Hij is de God, Die te woont.
En al wie achterblijven zou in enige plaatsen, waar hij als vreemdeling verkeert, dien zullen de lieden zijner plaats bevorderlijk zijn met zilver, en met goud, en met have, en met beesten; benevens een vrijwillige gave, voor het huis Gods, Die te woont.
Toen maakten zich op de hoofden der vaderen van en , en de priesteren en de Levieten, benevens een iegelijk, wiens geest God verwekte, dat zij optrokken om te bouwen het huis des HEEREN, die te woont.
Allen nu, die rondom hen waren, sterkten hunlieder handen met zilveren vaten, met goud, met have, en met beesten, en met kostelijkheden; behalve alles, wat vrijwillig gegeven werd.
Ook bracht de koning uit, de vaten van het huis des HEEREN, die uit had uitgevoerd, en had gesteld in het huis zijns gods.
En , de koning van Perzie, bracht ze uit door de hand van , den schatmeester, die ze aan , den vorst van , toetelde.
En dit is hun getal: dertig gouden bekkens, duizend zilveren bekkens, negen en twintig messen;
Dertig gouden bekers, vierhonderd en tien andere zilveren bekers; andere vaten, duizend.
Alle vaten van goud en van zilver waren vijf duizend en vierhonderd; deze alle voerde op, met degenen, die van de gevangenis opgevoerd werden, van Babel naar .