2 Kronieken 36
Toen nam het volk des lands Joahaz, den zoon van Josia, en zij maakten hem koning, in zijns vaders plaats, te .
Drie en twintig jaren was Joahaz oud, als hij koning werd, en hij regeerde drie maanden te .
Want de koning van zette hem af te ; en hij legde het land een boete op van honderd talenten zilvers en een talent gouds.
En de koning van maakte zijn broeder Eljakim koning over en , en veranderde zijn naam in ; maar zijn broeder Joahaz nam , en bracht hem in .
Vijf en twintig jaren was oud, als hij koning werd, en regeerde elf jaren te ; en hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, zijns Gods.
, de koning van , toog tegen hem op, en bond hem met twee koperen ketenen, om hem te voeren naar .
bracht ook van de vaten van het huis des HEEREN naar , en stelde ze in zijn tempel te .
Het overige nu van de geschiedenissen van , en zijn gruwelen, die hij deed, en wat aan hem gevonden werd, ziet, dat is geschreven in het boek der koningen van Israel en ; en Jojachin, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
Acht jaren was Jojachin oud, als hij koning werd, en regeerde drie maanden en tien dagen te , en deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN.
En met de wederkomst des jaars zond de koning henen, en liet hem naar halen, met de kostelijke vaten van het huis des HEEREN; en hij maakte zijn broeder Zedekia koning over en .
Een en twintig jaren was Zedekia oud, als hij koning werd, en regeerde elf jaren te .
En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, zijns Gods; hij verootmoedigde zich niet voor het aangezicht van den profeet , sprekende uit den mond des HEEREN.
Daartoe werd hij ook afvallig tegen den koning , die hem beedigd had bij God; en verhardde zijn nek, en verstokte zijn hart, dat hij zich niet bekeerde tot den HEERE, den God Israels.
Ook maakten alle oversten der priesteren, en het volk, der overtredingen zeer veel, naar alle gruwelen der heidenen; en zij verontreinigden het huis des HEEREN, dat Hij geheiligd had te .
En de HEERE, de God hunner vaderen, zond tot hen, door de hand Zijner boden, vroeg op zijnde, om die te zenden; want Hij verschoonde Zijn volk en Zijn woning.
Maar zij spotten met de boden Gods, en verachtten Zijn woorden; zij verleidden zichzelven tegen Zijn profeten; totdat de grimmigheid des HEEREN tegen Zijn volk opging, dat er geen helen aan was.
Want Hij deed tegen hen opkomen den koning der Chaldeen, die hun jongelingen met het zwaard in het huis huns heiligdoms doodde, en hij verschoonde de jongelingen niet, noch de maagden, de oudsten noch de stokouden; Hij gaf hen allen in zijn hand.
En alle vaten van het huis Gods, de grote en de kleine, en de schatten van het huis des HEEREN, en de schatten des konings en zijner vorsten, dit alles voerde hij naar .
En zij verbrandden het huis Gods, en zij braken den muur van af, en al de paleizen daarvan verbrandden zij met vuur, verdervende ook alle kostelijke vaten derzelve.
En wie overgebleven was van het zwaard, voerde hij weg naar , en zij werden hem en zijn zonen tot knechten, tot het regeren des koninkrijks van Perzie;
Opdat het woord des HEEREN vervuld wierd, door den mond van , totdat het land aan zijn sabbatten een welgevallen had; het rustte al de dagen der verwoesting, totdat de zeventig jaren vervuld waren.
Maar in het eerste jaar van , koning van Perzie, opdat volbracht wierd het woord des HEEREN, door den mond van , verwekte de HEERE den geest van , koning van Perzie, dat hij een stem liet doorgaan door zijn ganse koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende:
Zo zegt , koning van Perzie: De HEERE, de God des hemels, heeft mij alle koninkrijken der aarde gegeven; en Hij heeft mij bevolen Hem een huis te bouwen te , hetwelk in is; wie is onder ulieden van al Zijn volk? De HEERE, zijn God, zij met hem, en hij trekke op.