2 Kronieken 34
Josia was acht jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde een en dertig jaren te .
En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, en wandelde in de wegen van zijn vader David, en week niet af ter rechter hand, noch ter linkerhand.
Want in het achtste jaar zijner regering, toen hij nog een jongeling was, begon hij den God zijns vaders Davids te zoeken; en in het twaalfde jaar begon hij en van de hoogten en de bossen, en de gesneden en de gegoten beelden te reinigen.
En men brak voor zijn aangezicht af de altaren der Baals; en de zonnebeelden, die omhoog boven dezelve waren, hieuw hij af; de bossen ook, en de gesneden en gegoten beelden verbrak, en vergruisde, en strooide hij op de graven dergenen, die hun geofferd hadden.
En de beenderen der priesteren verbrandde hij op hun altaren; en hij reinigde en .
Daartoe in de steden van Manasse, en , en , ja, tot toe, in haar woeste plaatsen rondom,
Brak hij ook de altaren af en de bossen, en de gesneden beelden stampte hij, die vergruizende, en al de zonnebeelden hieuw hij af in het ganse land van Israel; daarna keerde hij weder naar .
In het achttiende jaar nu zijner regering als hij het land en het huis gereinigd had, zond hij , den zoon van , en Maaseja, den overste der stad, en Joha, den zoon van Joahaz, den kanselier, om het huis des HEEREN, zijns Gods, te verbeteren.
En zij kwamen tot , den hogepriester, en zij gaven het geld, dat ten huize Gods gebracht was, hetwelk de Levieten, die den dorpel bewaarden, vergaderd hadden uit de hand van Manasse en , en uit het ganse overblijfsel van Israel, en uit gans en , en te wedergekomen waren;
Zij nu gaven het in de hand der verzorgers van het werk, die besteld waren over het huis des HEEREN, en deze gaven dat dengenen, die het werk deden, die arbeidden aan het huis des HEEREN, om het huis te vermaken en te verbeteren.
Want zij gaven het den werkmeesters en de bouwlieden, om gehouwen stenen te kopen, en hout tot de samenvoegingen, en om de huizen te zolderen, die de koningen van verdorven hadden.
En die mannen handelden trouwelijk in dit werk; en de bestelden over dezelve waren en , Levieten van de kinderen van , mitsgaders Zacharia en , van de kinderen der Kohathieten, om het werk voort te drijven; en die Levieten waren allen verstandig op instrumenten van muziek.
Zij waren ook over de lastdragers, en de voortdrijvers van allen, die in enig werk arbeidden; want uit de Levieten waren schrijvers, en ambtlieden, en poortiers.
En als zij het geld uitnamen, dat in het huis des HEEREN gebracht was, vond de priester het wetboek des HEEREN, gegeven door de hand van .
En antwoordde en zeide tot , de schrijver: Ik heb het wetboek gevonden in het huis des HEEREN. En gaf dat boek.
En droeg dat boek tot den koning; daarbenevens bracht hij nog den koning bescheid weder, zeggende: Al wat in de hand uwer knechten gegeven is, dat doen zij;
En zij hebben het geld samengestort, dat in het huis des HEEREN gevonden is, en hebben het gegeven in de hand der bestelden, en in de hand dergenen, die het werk maakten.
Voorts gaf , de schrijver, den koning te kennen, zeggende: , de priester, heeft mij een boek gegeven. En las daarin voor het aangezicht des konings.
Het geschiedde nu, als de koning de woorden der wet hoorde, dat hij zijn klederen scheurde.
En de koning gebood , en , den zoon van , en , den zoon van Micha, en , den schrijver, en , den knecht des konings, zeggende:
Gaat heen, vraagt den HEERE voor mij, en voor het overgeblevene in Israel en in , over de woorden dezes boeks, dat gevonden is; want de grimmigheid des HEEREN is groot, die over ons uitgegoten is, omdat onze vaders niet hebben gehouden het woord des HEEREN, om te doen naar al hetgeen in dat boek geschreven is.
Toen ging henen, en die des konings waren, tot de profetes , de huisvrouw van Sallum, den zoon van , den zoon van , den klederbewaarder. Zij nu woonde te in het tweede deel; en zij spraken zulks tot haar.
En zij zeide tot hen: Zo zegt de HEERE, de God Israels: Zegt den man, die ulieden tot mij gezonden heeft:
Zo zegt de HEERE: Zie, Ik zal kwaad over deze plaats en over haar inwoners brengen; al de vloeken, die geschreven zijn in het boek, dat men voor het aangezicht des konings van gelezen heeft.
Daarom dat zij Mij verlaten, en anderen goden gerookt hebben, opdat zij Mij tot toorn verwekten met alle werken hunner handen; zo zal Mijn grimmigheid uitgegoten worden tegen deze plaats, en niet uitgeblust worden.
Maar tot den koning van , die ulieden gezonden heeft, om den HEERE te vragen, tot hem zult gij alzo zeggen: Zo zegt de HEERE, de God Israels: Aangaande de woorden, die gij hebt gehoord;
Omdat uw hart week geworden is, en gij u voor het aangezicht Gods vernederd hebt, als gij Zijn woorden hoordet tegen deze plaats en tegen haar inwoners, en hebt u vernederd voor Mijn aangezicht, en uw klederen gescheurd, en geweend voor Mijn aangezicht, zo heb Ik u ook verhoord, spreekt de HEERE.
Zie, Ik zal u verzamelen tot uw vaderen, en gij zult met vrede in uw graf verzameld worden, en uw ogen zullen al dat kwaad niet zien, dat Ik over deze plaats en over haar inwoners brengen zal. En zij brachten den koning dit antwoord weder.
Toen zond de koning henen, en verzamelde alle oudsten van en .
En de koning ging op in het huis des HEEREN, en al de mannen van en de inwoners van , mitsgaders de priesters en de Levieten, en al het volk, van den grote tot den kleine toe; en men las voor hun oren al de woorden van het boek des verbonds, dat in het huis des HEEREN gevonden was.
En de koning stond in zijn standplaats, en maakte een verbond voor des HEEREN aangezicht, om den HEERE na te wandelen, en om Zijn geboden, en Zijn getuigenissen, en Zijn inzettingen, met zijn ganse hart en met zijn ganse ziel, te onderhouden, doende de woorden des verbonds, die in datzelve boek geschreven zijn.
En hij deed allen, die te en in gevonden werden, staan; en de inwoners van deden naar het verbond van God, den God hunner vaderen.
Josia dan deed alle gruwelen weg uit alle landen, die der kinderen Israels waren, en maakte allen, die in gevonden werden, te dienen; te dienen den HEERE, hun God; al zijn dagen weken zij niet af van den HEERE, den God hunner vaderen, na te volgen.