2 Kronieken 25

, vijf en twintig jaren oud zijnde, werd koning, en regeerde negen en twintig jaren te ; en de naam zijner moeder was , van .

En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, doch niet met een volkomen hart.

Het geschiedde nu, als het koninkrijk aan hem gesterkt was, dat hij zijn knechten, die den koning, zijn vader, geslagen hadden, doodde.

Doch hun kinderen doodde hij niet, maar hij deed, gelijk in de wet, in het boek van , geschreven is, waar de HEERE geboden heeft, zeggende: De vaders zullen niet sterven om de kinderen, en de kinderen zullen niet sterven om de vaders; maar een ieder zal om zijn zonde sterven.

En vergaderde , en stelde hen, naar de huizen der vaderen, tot oversten van duizenden en tot oversten van honderden, door gans en ; en hij monsterde hen, van twintig jaren oud en daarboven, en vond hen driehonderd duizend uitgelezenen, uittrekkende ten heire, handelende spies en rondas.

Daartoe huurde hij uit Israel honderd duizend kloeke helden, voor honderd talenten zilvers.

Maar er kwam een man Gods tot hem, zeggende: O, koning! laat het heir van Israel met u niet gaan; want de HEERE is niet met Israel, met alle kinderen van .

Maar zo gij gaat, doe het, wees sterk ten strijde; God zal u doen vallen voor den vijand; want in God is kracht, om te helpen en om te doen vallen.

En zeide tot den man Gods: Maar wat zal men doen met de honderd talenten, die ik aan de benden van Israel gegeven heb? En de man Gods zeide: De HEERE heeft meer dan dit, om u te geven.

Toen scheidde die af, te weten de benden, die uit tot hem gekomen waren, dat zij naar hun plaats gingen; daarom ontstak hun toorn zeer tegen , en zij keerden weder tot hun plaats in hittigheid des toorns.

nu sterkte zich, en leidde zijn volk uit, en toog in het , en sloeg van de kinderen van Seir tien duizend.

Daartoe vingen de kinderen van tien duizend levend, en brachten ze op de hoogte der steenrots, en stieten hen van de spits der steenrots af, dat zij allen barstten.

Maar de mannen der benden, die had doen wederkeren, dat zij met hem in den strijd niet zouden trekken, die deden een inval in de steden van , van Samaria af tot toe, en sloegen van hen drie duizend, en roofden veel roofs.

Het geschiedde nu, nadat van het slaan der Edomieten gekomen was, en dat hij de goden der kinderen van Seir medegebracht had, dat hij die zich tot goden stelde, en zich voor dezelve neder boog en dien rookte.

Toen ontstak de toorn des HEEREN tegen ; en Hij zond tot hem een profeet, die zeide tot hem: Waarom hebt gij de goden van dat volk gezocht, die hun volk niet gered hebben uit uw hand?

En het geschiedde, als hij tot hem sprak, dat hij hem zeide: Heeft men u tot des konings raadgever gesteld? Houd gij op; waarom zouden zij u slaan? Toen hield de profeet op, en zeide: Ik merk, dat God besloten heeft u te verderven, dewijl gij dit gedaan, en naar mijn raad niet gehoord hebt.

En , de koning van , werd te rade, dat hij zond tot Joas, den zoon van Joahaz, den zoon van , den koning van Israel, om te zeggen: Kom, laat ons elkanders aangezicht zien.

Maar Joas, de koning van Israel, zond tot , den koning van , om te zeggen: De distel, die op den is, zond tot den ceder, die op den is, om te zeggen: Geef uw dochter mijn zoon ter vrouw; maar het gedierte des velds, dat op den is, ging voorbij, en vertrad de distel.

Gij zegt: Zie, gij hebt de Edomieten geslagen; daarom heeft uw hart u verheven, om te roemen; nu, blijf in uw huis; waarom zoudt gij u in het kwaad mengen, dat gij vallen zoudt; gij en met u?

Doch hoorde niet, want het was van God, opdat Hij hen in hun hand gave, overmits zij de goden der Edomieten gezocht hadden.

Zo toog Joas, de koning van Israel, op, en hij en , de koning van , zagen elkanders aangezichten te Beth-Semes, dat in is.

En werd geslagen voor het aangezicht van Israel; en zij vloden een iegelijk in zijn tenten.

En Joas, de koning van Israel, greep , den koning van , den zoon van Joas, den zoon van Joahaz, te Beth-Semes; en hij bracht hem te , en hij brak aan den muur van , van de poort van tot aan de , vierhonderd ellen.

Daartoe nam hij al het goud, en het zilver, en al de vaten, die in het huis Gods gevonden werden, bij Obed-Edom, en de schatten van het huis des konings, mitsgaders gijzelaars, en hij keerde weder naar Samaria.

nu, de zoon van Joas, de koning van , leefde na den dood van Joas, den zoon van Joahaz, den koning van Israel, vijftien jaren.

Het overige nu der geschiedenissen van , de eerste en de laatste, ziet, zijn die niet geschreven in het boek der koningen van en Israel?

Van den tijd nu af, dat afgeweken was van achter den HEERE, zo maakten zij in een verbintenis tegen hem; doch hij vluchtte naar . Toen zonden zij hem na tot , en doodden hem aldaar.

En zij brachten hem op paarden, en begroeven hem bij zijn vaderen in de stad van .