2 Kronieken 17

En zijn zoon Josafat werd koning in zijn plaats, en hij sterkte zich tegen Israel.

En hij legde krijgsvolk in alle vaste steden van , en legde bezettingen in het land van , en in de steden van , die zijn vader ingenomen had.

En de HEERE was met Josafat; want hij wandelde in de vorige wegen zijns vaders Davids, en zocht de Baals niet.

Maar hij zocht den God zijns vaders, en wandelde in Zijn geboden, en niet naar het doen van Israel.

En de HEERE bevestigde het koninkrijk in zijn hand, en gans gaf Josafat geschenken; en hij had rijkdom en eer in menigte.

En zijn hart verhief zich in de wegen des HEEREN; en hij nam verder de hoogten en de bossen uit weg.

In het derde jaar nu zijner regering zond hij tot zijn vorsten, tot , en tot Obadja, en tot , en tot , en tot , opdat men zou leren in de steden van .

En met hen de Levieten, en Nethanja, en , en , en , en Jonathan, en , en , en " class="inline align-text-bottom hover:opacity-70 cursor-pointer">Tob- de Levieten, en met hen de priesters en Joram.

En zij leerden in , en het wetboek des HEEREN was bij hen; en zij gingen rondom in alle steden van , en leerden onder het volk.

En een verschrikking des HEEREN werd over alle koninkrijken der landen, die rondom waren, dat zij niet krijgden tegen Josafat.

En van de Filistijnen brachten zij Josafat geschenken met het opgelegde geld; ook brachten hem de Arabieren klein vee, zeven duizend en zevenhonderd rammen, en zeven duizend en zevenhonderd bokken.

Alzo nam Josafat toe, en werd ten hoogste groot; daartoe bouwde hij in burchten en schatsteden.

En hij had veel werks in de steden van , en krijgslieden, kloeke helden in .

Dit nu is hun telling, naar de huizen hunner vaderen. In waren oversten der duizenden: de overste, en met hem waren driehonderd duizend kloeke helden.

Naast hem nu was de overste ; en met hem waren tweehonderd tachtig duizend;

En naast hem was , de zoon van , die zich vrijwillig den HEERE overgegeven had; en met hem waren tweehonderd duizend kloeke helden.

En uit was , een kloek held; en met hem tweehonderd duizend, die met boog en schild gewapend waren.

En naast hem was Jozabad; en met hem waren honderd en tachtig duizend, ten krijge toegerust.

Dezen waren in den dienst des konings; behalve degenen, die de koning in de vaste steden door gans gezet had.