2 Kronieken 11

Toen nu Rehabeam te gekomen was, vergaderde hij het huis van en , eenhonderd en tachtig duizend, uitgelezenen, geoefend ten oorlog, om tegen Israel te strijden, opdat hij het koninkrijk weder aan Rehabeam bracht.

Doch het woord des HEEREN geschiedde tot , den man Gods, zeggende:

Zeg tot Rehabeam, den zoon van Salomo, den koning van , en tot het ganse Israel in en , zeggende:

Zo zegt de HEERE: Gij zult niet optrekken, noch strijden tegen uw broederen; een ieder kere weder tot zijn huis, want deze zaak is van Mij geschied. En zij hoorden de woorden des HEEREN, en zij keerden weder van tegen Jerobeam te trekken.

Rehabeam nu woonde te ; en hij bouwde steden tot vastigheden in .

Hij bouwde nu Bethlehem, en Etham, en Thekoa,

En , en , en ,

En Gath, en , en Zif,

En Adoraim, en , en ,

En , en Ajalon, en Hebron; dewelke in en in de vaste steden waren.

En hij sterkte deze vastigheden, en legde oversten daarin, en schatten van spijs, en olie, en wijn;

En in elke stad rondassen en spiesen, en sterkte ze gans zeer; zo was , en zijne.

Daartoe de priesteren en de Levieten, die in het ganse Israel waren, stelden zich bij hem uit al hun landpalen.

Want de Levieten verlieten hun voorsteden en hun bezitting, en kwamen in en in ; want Jerobeam en zijn zonen hadden hen verstoten, van het priesterdom des HEEREN te mogen bedienen.

En hij had zich priesteren gesteld voor de hoogte, en voor de duivelen, en voor de kalveren, die hij gemaakt had.

Na die kwamen ook uit alle stammen van Israel te , die hun hart begaven, om den HEERE, den God Israels, te zoeken, dat zij den HEERE, den God hunner vaderen, offerande deden.

Alzo sterkten zij het koninkrijk van , en bekrachtigden Rehabeam, den zoon van Salomo, drie jaren; want drie jaren wandelden zij in den weg van David, en Salomo.

En Rehabeam nam zich, benevens " class="inline align-text-bottom hover:opacity-70 cursor-pointer">, de dochter van , den zoon van David, ter vrouwe , de dochter van , den zoon van ,

Dewelke hem zonen baarde, , en , en .

En na haar nam hij Maacha, de dochter van ; deze baarde hem , en , en , en .

En Rehabeam had Maacha, Absaloms dochter, liever dan al zijn vrouwen en zijn bijwijven; want hij had achttien vrouwen genomen, en zestig bijwijven; en hij gewon acht en twintig zonen en zestig dochteren.

En Rehabeam stelde , den zoon van Maacha, tot een hoofd, om een overste te zijn onder zijn broederen; want het was om hem koning te maken.

En hij handelde verstandelijk, dat hij van al zijn zonen, door alle landen van en , in alle vaste steden verspreidde, denwelken hij spijze gaf in overvloed; en hij begeerde de veelheid van vrouwen.