1 Kronieken 9

En gans Israel werd in geslachtsregisters geteld, en ziet, zij zijn geschreven in het boek der koningen van Israel. En die van waren weggevoerd naar , om hunner overtredingen wil.

De eerste inwoners nu, die in hun bezitting, in hun steden kwamen, waren de Israelieten, de priesters, de Levieten, en de Nethinim.

Maar te woonden van de kinderen van , en van de kinderen van , en van de kinderen van en Manasse;

, de zoon van , den zoon van , den zoon van , den zoon van Bani, van de kinderen van , den zoon van .

En van de Silonieten was , de eerstgeborene, en zijn kinderen.

En van de kinderen van was , en van hun broederen waren zeshonderd en negentig.

En van de kinderen van waren , de zoon van Mesullam, den zoon van Hodavja, den zoon van ;

En , de zoon van , en Ela, de zoon van Uzzi, den zoon van ; en Mesullam, de zoon van , den zoon van , den zoon van ;

En hun broederen naar hun geslachten, negenhonderd zes en vijftig; al deze mannen waren hoofden der vaderen in de huizen hunner vaderen.

Van de priesteren nu, Jedaja, en , en ,

En Azarja, de zoon van , den zoon van Mesullam, den zoon van , den zoon van , den zoon van Ahitub, overste van het huis Gods;

En Adaja, de zoon van Jeroham, den zoon van , den zoon van Malchija; en , de zoon van , den zoon van , den zoon van Mesullam, den zoon van , den zoon van .

Daartoe hun broeders, hoofden in de huizen hunner vaderen, duizend zevenhonderd en zestig, kloeke helden aan het werk van den dienst van het huis Gods.

Van de Levieten nu waren Semaja, de zoon van , den zoon van , den zoon van Hasabja, van de kinderen van ;

En , , en , en , de zoon van Micha, den zoon van Zichri, den zoon van Asaf;

En Obadja, de zoon van Semaja, den zoon van , den zoon van ; en Berechja, de zoon van Asa, den zoon van Elkana, woonachtig in de dorpen der Netofathieten.

De poortiers nu waren: Sallum, en Akkub, en , en , en hun broeders; Sallum was het hoofd.

Ook tot nog toe, aan de poort des konings oostwaarts, waren dezen de poortiers onder de legers der kinderen van .

En Sallum, de zoon van , den zoon van Ebjasaf, den zoon van Korah, en zijn broeders van het huis zijns vaders, de Korathieten, waren over het werk van den dienst, wachters der dorpelen des tabernakels; gelijk hun vaders in het leger des HEEREN geweest waren bewaarders van den ingang;

Als Pinehas, de zoon van , te voren voorganger bij hen was, met welken de HEERE was.

Zacharja, de zoon van , was poortier aan de deur van de tent der samenkomst.

Allen, die uitgelezen waren tot poortiers aan de dorpelen, waren tweehonderd en twaalf. Dezen waren in het geslachtsregister gesteld naar hun dorpen. David en , de ziener, hadden hen in hun ambt bevestigd.

Zij dan en hun zonen waren aan de poorten van het huis des HEEREN, in het huis der tent, aan de wachten.

Die poortiers waren aan de vier winden, tegen het oosten, tegen het westen, tegen het noorden, en tegen het zuiden.

En hun broeders waren op hun dorpen, inkomende ten zevenden dage van tijd tot tijd, om met hen te dienen;

Want in dat ambt waren vier overste poortiers, die Levieten waren; en zij waren over de kameren en over de schatten van het huis Gods.

En zij bleven over nacht rondom het huis Gods; want op hen was de wacht, en zij waren over de opening, en dat allen morgen.

En enigen van hen waren over de vaten van den dienst; want bij getal droegen zij ze in, en bij getal droegen zij ze uit.

Want uit dezelve zijn er besteld over de vaten, en over al de heilige vaten, en over de meelbloem, en wijn, en olie, en wierook, en specerij.

En uit de zonen der priesteren waren de bereiders van het reukwerk der specerijen.

En uit de Levieten, dewelke was de eerstgeborene van Sallum, den Korahiet, was in het ambt over het werk, dat in pannen gekookt wordt.

En uit de kinderen der Kahathieten, uit hun broederen, waren enigen over de broden der toerichting, om die alle sabbatten te bereiden.

Uit dezen zijn ook de zangers, hoofden der vaderen onder de Levieten in de kameren, dienstvrij; want dag en nacht was het op hen, in dat werk te zijn.

Dit zijn de hoofden der vaderen onder de Levieten, hoofden in hun geslachten; dezen woonden te .

Maar te Gibeon hadden gewoond , de vader van Gibeon; de naam zijner zuster nu was Maacha.

En Abdon was zijn eerstgeboren zoon, daarna , en , en , en , en Nadab.

En , en , en Zacharja, en .

nu gewon ; dezen woonden ook te , tegenover hun broederen, met hun broederen.

En gewon , en gewon Saul, en Saul gewon , en , en , en Esbaal.

En Jonathans zoon van Merib-baal, en Merib-baal gewon Micha.

De kinderen van Micha nu waren , en , en Thaerea.

En Achaz gewon , en gewon , en , en ; en gewon ;

En gewon ; wiens zoon was Refaja; wiens zoon was Elasa; wiens zoon was .

nu had zes zonen, en dit zijn hun namen: , , en , en , en Obadja, en Hanan; dezen zijn Azels zonen.