1 Kronieken 6

De kinderen van waren , en .

De kinderen van nu waren , , en , en .

En de kinderen van waren , en en ; en de kinderen van waren Nadab en , en .

En gewon , gewon ;

En gewon , en gewon ;

En gewon , en gewon ;

En gewon , en gewon Ahitub;

En Ahitub gewon , en gewon ;

En gewon , en gewon Johanan;

En Johanan gewon Azarja. Hij is het, die het priesterambt bediende in het huis, dat Salomo te gebouwd had.

En Azarja gewon Amarja, en Amarja gewon ;

En gewon , en gewon Sallum;

En Sallum gewon , en gewon Azarja;

En Azarja gewon , en gewon ;

En ging mede, als de HEERE en gevankelijk wegvoerde door de hand van .

Zo zijn dan de kinderen van : , en .

En dit zijn de namen der zonen van : en .

En de kinderen van waren , en Jizhar, en , en .

De kinderen van waren en . En dit zijn de huisgezinnen der Levieten, naar hun vaderen.

Van : zijn zoon was ; zijn zoon Jahath; zijn zoon ;

Zijn zoon ; zijn zoon ; zijn zoon ; zijn zoon .

De kinderen van waren: zijn zoon ; zijn zoon Korah; zijn zoon ;

Zijn zoon ; en zijn zoon ; en zijn zoon ;

Zijn zoon ; zijn zoon ; zijn zoon Uzzia, en zijn zoon .

De kinderen van Elkana nu waren en .

Elkana; dezes zoon was Elkana; zijn zoon was ; en zijn zoon was Nahath;

Zijn zoon ; zijn zoon ; zijn zoon .

De zonen van nu waren dezen: zijn eerstgeborene was , daarna Abia.

De kinderen van waren ; zijn zoon ; zijn zoon Simei; zijn zoon ;

Zijn zoon ; zijn zoon ; zijn zoon Asaja.

Dezen nu zijn het, die David gesteld heeft tot het ambt des gezangs in het huis des HEEREN, nadat de ark tot rust gekomen was.

En zij dienden voor den tabernakel van de tent der samenkomst met gezangen, totdat Salomo het huis des HEEREN te bouwde; en zij stonden naar hun wijze in hun ambt.

Dezen nu zijn ze, die daar stonden met hun zonen; van de zonen der Kahathieten, de zanger, de zoon van , den zoon van ,

Den zoon van , den zoon van , den zoon van , den zoon van ,

Den zoon van , den zoon van Elkana, den zoon van , den zoon van ,

Den zoon van Elkana, den zoon van Joel, den zoon van Azarja, den zoon van Zefanja,

Den zoon van , den zoon van , den zoon van Ebjasaf, den zoon van Korah,

Den zoon van Jizhar, den zoon van , den zoon van , den zoon van Israel.

En zijn broeder stond aan zijn rechter zijde; was de zoon van Berechja, den zoon van ,

Den zoon van Michael, den zoon van , den zoon van Malchija,

Den zoon van , den zoon van , den zoon van ,

Den zoon van , den zoon van , den zoon van Simei,

Den zoon van , den zoon van , den zoon van .

Hunne broeders nu, de kinderen van , stonden aan de linker zijde, namelijk Ethan, de zoon van , den zoon van , den zoon van ,

Den zoon van , den zoon van Amazia, den zoon van Hilkia,

Den zoon van , den zoon van , den zoon van ,

Den zoon van , den zoon van , den zoon van , den zoon van .

Hun broeders nu, de Levieten, waren gegeven tot allerlei dienst des tabernakels van het huis Gods.

nu en zijn zonen rookten op het altaar des brandoffers, en op het reukaltaar, zijnde besteld tot al het werk van het heilige der heiligen, en om over Israel verzoening te doen, naar alles wat , de knecht Gods, geboden had.

Dit nu zijn de kinderen van : , was zijn zoon; Pinehas zijn zoon; zijn zoon;

zijn zoon; zijn zoon; zijn zoon;

zijn zoon; zijn zoon; Ahitub zijn zoon;

zijn zoon; zijn zoon.

En dit waren hun woningen, naar hun kastelen, in hun landpalen, namelijk van de zonen van , van het huisgezin der Kahathieten, want dat lot was voor hen.

En zij gaven hun Hebron, in het land van , en haar voorsteden rondom dezelve.

Maar het veld der stad, en haar dorpen, gaven zij , den zoon van .

En den kinderen van gaven zij steden van , de vrijstad Hebron, en Libna en haar voorsteden, en en Esthemoa, en haar voorsteden,

En en haar voorsteden, en Debir en haar voorsteden,

En en haar voorsteden, en Beth- en haar voorsteden.

Van den stam van nu: Geba en haar voorsteden, en en haar voorsteden, en en haar voorsteden. Al hun steden, in hun huisgezinnen, waren dertien steden.

Maar de kinderen van , die overgebleven waren, hadden van het huisgezin van den stam, uit den halven stam van half Manasse, bij het lot, tien steden.

En de kinderen van , naar hun huisgezinnen, hadden van den stam van , en van den stam van , en van den stam van , en van den stam van Manasse in , dertien steden.

De kinderen van , naar hun huisgezinnen, hadden van den stam van , en van den stam van , en van den stam van , bij het lot, twaalf steden.

Alzo gaven de kinderen Israels aan de Levieten deze steden en haar voorsteden.

En zij gaven ze bij het lot, van den stam der kinderen van , en van den stam der kinderen van , en van den stam der kinderen van , deze steden, dewelke zij bij namen noemden.

Aan de overigen nu, uit de huisgezinnen der kinderen van , dien gewerden steden hunner landpale, van den stam van .

Want zij gaven hun van de vrijsteden, en haar voorsteden op het gebergte van , en en haar voorsteden,

En Jokmeam en haar voorsteden, en en haar voorsteden,

En Ajalon en haar voorsteden, en en haar voorsteden.

En uit den halven stam van Manasse: en haar voorsteden, en en haar voorsteden. De huisgezinnen der overige kinderen van hadden deze steden:

De kinderen van hadden van de huisgezinnen van den halven stam van Manasse: in en haar voorsteden, en , en haar voorsteden.

En van den stam van : Kedes en haar voorsteden, en haar voorsteden,

En Ramoth en haar voorsteden, en en haar voorsteden.

En van den stam van : en haar voorsteden, en Abdor en haar voorsteden,

En en haar voorsteden, en Rehob en haar voorsteden.

En van den stam van : Kedes in , en haar voorsteden, en Hammon en haar voorsteden, en en haar voorsteden.

De overige kinderen van hadden van den stam van : en haar voorsteden, Thabor en haar voorsteden;

En aan gene zijde van de tegen Jericho, tegen het oosten aan de , van den stam van : in de woestijn, en haar voorsteden, en en haar voorsteden,

En en haar voorsteden, en Mefaath en haar voorsteden;

En van den stam van : Ramoth in Gilead, en haar voorsteden, en Mahanaim en haar voorsteden,

En en haar voorsteden, en Jaezer en haar voorsteden.