En , de zoon van , gewon , en gewon en ; dit zijn de huisgezinnen der Zorathieten;
En dezen zijn van den vader : , en , en ; en de naam hunner zuster was .
En was de vader van , en de vader van . Dit zijn de kinderen van , den eerstgeborene van Efratha, den vader van Bethlehem.
nu, de vader van Thekoa, had twee vrouwen, en .
En baarde hem , en , en , en . Dit zijn de kinderen van .
En de kinderen van waren , Jezohar, en .
En gewon en , en de huisgezinnen van , den zoon van .
nu was heerlijker dan zijn broeders; en zijn moeder had zijn naam genoemd, zeggende: Want ik heb hem met smarten gebaard.
Want riep den God Israels aan, zeggende: Indien Gij mij rijkelijk zegenen, en mijn landpale vermeerderen zult, en Uw hand met mij zijn zal, en met het kwade alzo maakt, dat het mij niet smarte! En God liet komen, wat hij begeerde.
En , de broeder van , gewon ; hij is de vader van .
nu gewon , en , en , den vader van Ir-nahas; dit zijn de mannen van .
En de kinderen van waren Othniel en ; en de kinderen van Othniel, .
En gewon ; en gewon , den vader des dals der werkmeesters; want zij waren werkmeesters.
De kinderen van nu, den zoon van , waren , en ; en de kinderen van , te weten .
En de kinderen van waren en , en .
En de kinderen van waren Jether, en , en , en ; en zij baarde , en , en , den vader van .
En zijn Joodse huisvrouw baarde , den vader van Gedor, en " class="inline align-text-bottom hover:opacity-70 cursor-pointer">, den vader van , en Jekuthiel, den vader van Bitja, de dochter van Farao, die Mered genomen had.
19En de kinderen van de huisvrouw Hodija, de zuster van Naham, waren Abi-Kehila, de Garmiet, en Esthemoa, de Maachathiet.
20En de kinderen van Simon nu waren Amnon en Rinna, Ben-hanan en Tilon; en de kinderen van Isei waren Zoheth en Zoheth" class="inline align-text-bottom hover:opacity-70 cursor-pointer">Ben-Zoheth.
21De kinderen van Sela, den zoon van Juda, waren Er, de vader van Lecha, en Lada, de vader van Maresa; en de huisgezinnen van het huis der linnenwerkers in het huis Asbea.
22Daartoe Jokim, en de mannen van Chozeba, en Joas, en Saraf (die over de Moabieten geheerst hebben) en de Jasubilehem; doch deze dingen zijn oud.
23Dezen waren pottenbakkers, wonende bij plantages en tuinen; zij zijn daar gebleven bij den koning in zijn werk.
24De kinderen van Simeon waren Nemuel en Jamin, Jarib, Zerah, Saul.
25Sallum was zijn zoon; Mibsam was zijn zoon; Misma was zijn zoon.
26De kinderen van Misma waren dezen: Hammuel zijn zoon, Zaccur zijn zoon, Simei zijn zoon.
27Simei nu had zestien zonen en zes dochteren; maar zijn broeders hadden niet veel kinderen; en hun ganse huisgezin werd zo zeer niet vermenigvuldigd, als van de kinderen van Juda.
28En zij woonden te Ber-seba, en te Molada, en te Hazar-Sual,
29En te Bilha, en te Ezem, en te Tholad,
30En te Bethuel, en te Horma, en te Ziklag,
31En te Beth-markaboth, en te Hazar-Susim, en te Beth-Biri, en te Saaraim. Dit waren hun steden, totdat David koning werd.
32En hun dorpen waren Etam en Ain, Rimmon en Tochen, en Asan; vijf steden.
33En al haar dorpen, die in den omloop dezer steden waren, tot Baal toe. Dit zijn hun woningen en hun geslachtsrekening voor hen.
34Doch Mesobab, en Jamlech, en Josa, de zoon van Amazia,
35En Joel, en Jehu, de zoon van Jesibja, den zoon van Saraja, den zoon van Asiel,
36En Eljoenai, en Jaakoba, en Jesohaja, en Asaja, en Adiel, en Jesimeel, en Benaja,
37En Ziza, de zoon van Sifei, den zoon van Allon, den zoon van Jedaja, den zoon van Simri, den zoon van Semaja;
38Dezen kwamen tot namen, zijnde vorsten in hun huisgezinnen, en de huisgezinnen hunner vaderen braken uit in menigte.
39En zij gingen tot aan den ingang van Gedor tot het oosten des dals, om weide te zoeken voor hun schapen.
40En zij vonden vette en goede weide, en een land, wijd van begrip, en stil, en gerust; want die van Cham woonden daar tevoren.
41Dezen nu, die met namen beschreven zijn, kwamen in de dagen van Hizkia, den koning van Juda, en zij sloegen de tenten en woningen dergenen, die daar gevonden werden; en zij verbanden hen, tot op dezen dag; en zij woonden aan hun plaats, want daar was weide voor hun schapen.
42Ook gingen uit hen, te weten uit de kinderen van Simeon, vijfhonderd mannen, tot het gebergte van Seir; en Pelatja, en Nearja, en Refaja, en Izziel, de zonen van Isei, waren hun tot hoofden.
43En zij sloegen de overigen der ontkomenen onder de Amalekieten, en zij woonden aldaar tot op dezen dag.