2 Koningen 24

In zijn dagen toog , de koning van , op, en werd zijn knecht drie jaren; daarna keerde hij zich om, en rebelleerde tegen hem.

En de HEERE zond tegen hem de benden der Chaldeen, en de benden der Syriers, en de benden der Moabieten, en de benden der kinderen Ammons, en zond hen tegen , om dat te verderven, naar het woord des HEEREN, dat Hij gesproken had door den dienst Zijner knechten, de profeten.

Zekerlijk geschiedde dit naar het bevel des HEEREN tegen , dat Hij hen van Zijn aangezicht wegdeed, om de zonden van , naar alles, wat hij gedaan had;

Als ook om het onschuldig bloed, dat hij vergoten had, zodat hij met onschuldig bloed vervuld had; daarom wilde de HEERE niet vergeven.

Het overige nu der geschiedenissen van , en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van ?

En ontsliep met zijn vaderen; en zijn zoon Jojachin werd koning in zijn plaats.

De koning nu van toog voortaan niet meer uit zijn land; want de koning van had, van de rivier van af tot aan de rivier Frath, ingenomen al wat van den koning van was.

Jojachin was achttien jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde drie maanden te ; en de naam zijner moeder was , een dochter van , van .

En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat zijn vader gedaan had.

Te dier tijd togen de knechten van , den koning van , naar ; en de stad werd belegerd.

Zelfs kwam , de koning van , tegen de stad, als zijn knechten die belegerden.

Toen ging Jojachin, de koning van , uit tot den koning van , hij, en zijn moeder, en zijn knechten, en zijn vorsten, en zijn hovelingen; en de koning van nam hem gevangen in het achtste jaar zijner regering.

En hij bracht van daar uit al de schatten van het huis des HEEREN, en de schatten van het huis des konings; en hij hieuw alle gouden vaten af, die Salomo, de koning van Israel, in den tempel des HEEREN gemaakt had, gelijk als de HEERE gesproken had.

En hij voerde gans weg, mitsgaders al de vorsten, en alle strijdbare helden, tien duizend gevangen, en alle timmerlieden en smeden; niemand werd overgelaten, dan het arme volk des lands.

Zo voerde hij Jojachin weg naar , mitsgaders des konings moeder, en des konings vrouwen, en zijn hovelingen; daartoe de machtigen des lands bracht hij gevankelijk van naar ;

En alle kloeke mannen tot zeven duizend, en timmerlieden en smeden tot een duizend, en alle helden, die ten oorlog geoefend waren; dezen bracht de koning van gevankelijk naar .

En de koning van maakte , deszelfs oom, koning in plaats van hem, en veranderde zijn naam in Zedekia.

Zedekia was een en twintig jaren oud, als hij koning werd, en hij regeerde elf jaren te ; en de naam zijner moeder was , een dochter van , van Libna.

En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat Jojakim gedaan had.

Want het geschiedde, om den toorn des HEEREN tegen en tegen , totdat Hij hen van Zijn aangezicht weggeworpen had. En Zedekia rebelleerde tegen den koning van .