2 Koningen 23
Toen zond de koning henen, en tot hem verzamelden al de oudsten van en .
En de koning ging op in het huis des HEEREN, en met hem alle inwoners van , en de priesters en de profeten, en al het volk, van den minste tot den meeste; en hij las voor hun oren al de woorden van het boek des verbonds, dat in het huis des HEEREN gevonden was.
De koning nu stond aan den pilaar, en maakte een verbond voor des HEEREN aangezicht, om den HEERE na te wandelen, en Zijn geboden, en Zijn getuigenissen, en Zijn inzettingen met ganser harte en met ganser ziele te houden, bevestigende de woorden dezes verbonds, die in dit boek geschreven zijn. En het ganse volk stond in dit verbond.
En de koning gebood den hogepriester Hilkia, en den priesteren der tweede ordening, en den dorpelbewaarders, dat zij uit den tempel des HEEREN alle gereedschap, dat voor , en voor het beeld van het bos, en voor al het heir des hemels gemaakt was, uitbrengen zouden; en hij verbrandde dat buiten in de velden van , en liet het stof daarvan naar Beth-El dragen.
Daartoe schafte hij de Chemarim af, die de koningen van gesteld hadden, opdat men roken zou op de hoogten, in de steden van , en rondom , mitsgaders, die voor , de zon, en de maan, en de andere planeten, en al het heir des hemels rookten.
Hij bracht ook het beeld van het bos uit het huis des HEEREN weg, buiten , tot de beek , en verbrandde het aan de beek , en vergruisde het tot stof; en hij wierp het stof daarvan op de graven der kinderen des volks.
Daartoe brak hij de huizen der schandjongens af, die aan het huis des HEEREN waren, alwaar de vrouwen huisjes voor het beeld van het bos weefden.
En hij bracht al de priesters uit de steden van , en verontreinigde de hoogten, alwaar die priesters gerookt hadden, van Geba af tot Ber-seba toe; en hij brak de hoogten der poort van , den overste der stad, was, welke aan iemands linkerhand was, in de stadspoort gaande.
Doch de priesters der hoogten offerden niet op het altaar des HEEREN te ; maar zij aten ongezuurde broden in het midden van hun broederen.
Hij verontreinigde ook Thofeth, dat in het dal der kinderen van Hinnom is, opdat niemand zijn zoon of zijn dochter voor den door het vuur deed gaan.
En hij schafte de paarden af, die de koningen van voor de zon gesteld hadden, van den ingang van het huis des HEEREN, tot de kamer van , den hoveling, die in Parvarim was; en de wagenen der zon verbrandde hij met vuur.
Verder de altaren die op het dak der opperzaal van waren, die de koningen van gemaakt hadden, mitsgaders de altaren, die in de twee voorhoven van het huis des HEEREN gemaakt had, brak de koning af; en hij verbrijzelde ze van daar, en wierp het stof daarvan in de beek .
De hoogten ook, die vooraan waren, dewelke waren ter rechterhand van de berg Mashith, die Salomo, de koning van Israel, voor Astoreth, het verfoeisel der Sidoniers, en voor Kamos, het verfoeisel der Moabieten, en voor Milchom, den gruwel der kinderen Ammons, gebouwd had, verontreinigde de koning.
Insgelijks brak hij de opgerichte beelden, en roeide de bossen uit; en hij vervulde hun plaats met mensenbeenderen.
Daartoe ook het altaar, dat te Beth-El was, en de hoogte, die Jerobeam, de zoon van , dewelke Israel zondigen deed, gemaakt had; te zamen dat altaar en die hoogte brak hij af; ja, hij verbrandde de hoogte, hij vergruisde ze tot stof, en hij verbrandde het bos.
En als Josia zich omkeerde, zag hij de graven, die daar op den berg waren, en zond henen, en nam de beenderen uit de graven, en verbrandde ze op dat altaar, en verontreinigde dat; naar het woord des HEEREN, dat de man Gods uitgeroepen had, die deze woorden uitriep.
Verder zeide hij: Wat is dat voor een grafteken, dat ik zie? En de lieden der stad zeiden tot hem: Het is het graf van den man Gods, die uit kwam, en deze dingen, die gij tegen dit altaar van Beth-El gedaan hebt, uitgeroepen heeft.
En hij zeide: Laat hem liggen, dat niemand zijn beenderen verroere. Zo bevrijdden zij zijn beenderen, met de beenderen van den profeet, die uit Samaria gekomen was.
Daartoe nam Josia ook weg al de huizen der hoogten, die in de steden van Samaria waren, die de koningen van Israel gemaakt hadden, om den HEERE tot toorn te verwekken; en hij deed dezelve naar al de daden, die hij te Beth-El gedaan had.
En hij slachtte al de priesteren der hoogten, die daar waren, op de altaren, en verbrandde mensenbeenderen op dezelve. Daarna keerde hij weder naar .
En de koning gebood het ganse volk, zeggende: Houdt den HEERE, uw God, pascha, gelijk in dit boek des verbonds geschreven is.
Want gelijk dit pascha was er geen gehouden, van de dagen der richteren af, die Israel gericht hadden, noch in al de dagen der koningen van Israel, noch der koningen van .
Maar in het achttiende jaar van den , werd dit pascha den HEERE te gehouden.
En ook deed Josia weg de waarzeggers, en de duivelskunstenaars, en de terafim, en de drekgoden, en alle verfoeiselen, die in het land van en in gezien werden; opdat hij bevestigde de woorden der wet, die geschreven waren in het boek, dat de priester Hilkia in het huis des HEEREN gevonden had.
En voor hem was geen koning zijns gelijke, die zich tot den HEERE, met zijn ganse hart, en met zijn ganse ziel, en met zijn ganse kracht, naar al de wet van , bekeerd had; en na hem stond zijns gelijke niet op.
Nochtans keerde zich de HEERE van den brand Zijns groten toorns niet af, waarmede Zijn toorn brandde tegen , om al de tergingen, waarmede Hem getergd had.
En de HEERE zeide: Ik zal ook van Mijn aangezicht wegdoen, gelijk als Ik Israel weggedaan heb; en Ik zal deze stad verwerpen, die Ik verkoren heb, en het huis, waarvan Ik gezegd heb: Mijn Naam zal daar wezen.
Het overige nu der geschiedenissen van Josia, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van ?
In zijn dagen toog " class="inline align-text-bottom hover:opacity-70 cursor-pointer">Farao , de koning van , op tegen den koning van Assyrie, naar de rivier Frath; en de toog hem tegemoet, en hij doodde hem te , als hij hem gezien had.
En zijn knechten voerden hem dood op een wagen van , en brachten hem te , en begroeven hem in zijn graf; en het volk des lands nam Joahaz, den zoon Josia, en zalfden hem, en maakten hem koning in zijns vaders plaats.
Drie en twintig jaren was Joahaz oud, toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden te ; en de naam zijner moeder was , de dochter van , van Libna.
En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat zijn vaderen gedaan hadden.
Doch " class="inline align-text-bottom hover:opacity-70 cursor-pointer">Farao liet hem binden te in het land van Hamath, opdat hij te niet regeren zou; en hij legde het land een boete op van honderd talenten zilvers en een talent gouds.
Ook maakte " class="inline align-text-bottom hover:opacity-70 cursor-pointer">Farao Eljakim, den zoon van Josia, koning, in de plaats van zijn vader Josia, en veranderde zijn naam in ; maar Joahaz nam hij mede, en hij kwam in , en stierf aldaar.
En gaf dat zilver en dat goud aan Farao; doch hij schatte het land, om dat geld naar het bevel van Farao te geven; een ieder naar zijn schatting eiste hij het zilver en goud af van het volk des lands, om aan " class="inline align-text-bottom hover:opacity-70 cursor-pointer">Farao te geven.
Vijf en twintig jaren was oud, toen hij koning werd, en regeerde elf jaren te ; en de naam zijner moeder was , een dochter van , van .
En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat zijn vaders gedaan hadden.