2 Samuel 20

Toen was daar bij geval een Belials man, wiens naam was , een zoon van , een man van Jemini; die blies met de bazuin, en zeide: Wij hebben geen deel aan David, en wij hebben geen erfenis aan den zoon van , een iegelijk naar zijn tenten, o Israel!

Toen toog alle man van Israel op van achter David, , den zoon van , achterna; maar de mannen van kleefden hun koning aan, van de af tot aan .

Toen nu David in zijn huis te kwam, nam de koning de tien vrouwen, zijn bijwijven, die hij gelaten had, om het huis te bewaren, en deed ze in een huis van bewaring, en onderhield ze, maar ging tot haar niet in. En zij waren opgesloten tot op den dag van haarlieder dood, levende als weduwen.

Voorts zeide de koning tot : Roep mij de mannen van te zamen, tegen den derden dag; en gij, stel u dan hier.

En ging heen, om bijeen te roepen; maar hij bleef achter, boven den gezetten tijd, dien hij hem gezet had.

Toen zeide David tot : Nu zal ons , de zoon van , meer kwaads doen, dan ; neem gij de knechten uws heren, en jaag hem achterna, opdat hij niet misschien vaste steden voor zich vinde, en zich aan onze ogen onttrekke.

Toen togen uit, hem achterna, de mannen van , en de Krethi, en de Plethi, en al de helden. Dezen togen uit van , om , den zoon van , achterna te jagen.

Als zij nu waren bij den groten steen, die bij is, zo kwam voor hun aangezicht. En was omgord over zijn kleed, dat hij aan had, en daarop was een gordel, daar het zwaard aan vastgemaakt was op zijn lenden in zijn schede; en als hij voortging, zo viel het uit.

En zeide tot : Is het wel met u, mijn broeder? En vatte met de rechterhand den baard van , om hem te kussen.

En hoedde zich niet voor het zwaard, dat in Joabs hand was; zo sloeg hij hem daarmede aan de vijfde rib, en hij stortte zijn ingewand ter aarde uit, en hij sloeg hem niet ten tweeden male, en hij stierf. Toen jaagden en zijn broeder , , den zoon van , achterna.

Maar een man, van Joabs jongens, bleef bij hem staan, en hij zeide: Wie is er, die lust heeft aan , en wie is er, die voor David is, die volge na!

nu lag in het bloed gewenteld, midden op de straat. Als die man zag, dat al het volk staan bleef, zo deed hij weg van de straat in het veld, en wierp een kleed op hem, dewijl hij zag, dat al wie bij hem kwam, bleef staan.

Toen hij nu van de straat weggenomen was, toog alle man voort, na, om , den zoon van , achterna te jagen.

En hij toog heen door alle stammen van Israel, naar , te weten, Beth-Maacha, en het ganse Berim; en zij verzamelden zich, en kwamen hem ook na.

En zij kwamen en belegerden hem in Beth-Maacha, en zij wierpen een wal op tegen de stad, dat hij aan den buitenmuur stond; en al het volk, dat met was, verdorven den muur, om dien neder te vellen.

Toen riep een wijze vrouw uit de stad: Hoort, hoort, zegt toch tot : Nader tot hiertoe, dat ik tot u spreke.

Toen hij nu tot haar naderde, zeide de vrouw: Zijt gij ? En hij zeide: Ik ben het; en zij zeide tot hem: Hoor de woorden uwer dienstmaagd; en hij zeide: Ik hoor.

Toen sprak zij, zeggende: In voortijden spraken zij gemeenlijk, zeggende: Zij zullen zonder twijfel te vragen; en alzo volbrachten zij het.

Ik ben een van de vreedzamen, van de getrouwen in Israel, en gij zoekt te doden een stad, die een moeder is in Israel; waarom zoudt gij het erfdeel des HEEREN verslinden?

Toen antwoordde , en zeide: Het zij verre, het zij verre van mij, dat ik zou verslinden, en dat ik zou verderven.

De zaak is niet alzo; maar een man van het gebergte van , wiens naam is , de zoon van , heeft zijn hand opgeheven tegen den koning, tegen David; lever hem alleen, zo zal ik van deze stad aftrekken. Toen zeide de vrouw tot : Zie, zijn hoofd zal tot u over den muur geworpen worden.

En de vrouw kwam in tot al het volk, met haar wijsheid; en zij hieuwen , den zoon van , het hoofd af, en wierpen het tot . Toen blies hij met de bazuin, en zij verstrooiden zich van de stad, een iegelijk naar zijn tenten; en keerde weder naar tot den koning.

nu was over het ganse heir van Israel; en , de zoon van Jojada, over de Krethi en over de Plethi;

En was over de schatting; en Josafat, de zoon van , was kanselier;

En Seja was schrijver; en en Abjathar waren priesters.

En ook was , de Jairiet, Davids opperofficier.