Genesis 48
Het geschiedde nu na deze dingen, dat men zeide: Zie, uw vader is krank! Toen nam hij zijn twee zonen met zich, Manasse en !
En men boodschapte , en men zeide: Zie, uw zoon komt tot u! Zo versterkte zich , en zat op het bed.
Daarna zeide tot : God de Almachtige, is mij verschenen te Luz, in het land , en Hij heeft mij gezegend;
En Hij heeft tot mij gezegd: Zie, Ik zal u vruchtbaar maken, en u vermenigvuldigen, en u tot een hoop van volken stellen; en Ik zal aan uw zaad na u dit land tot een eeuwige bezitting geven.
Nu dan, uw twee zonen, die u in Egypteland geboren waren, eer ik in tot u gekomen ben, zijn mijne; en Manasse zullen mijne zijn, als en .
Maar uw geslacht, dat gij na hen zult gewinnen, zullen uwe zijn; zij zullen naar hunner broederen naam genoemd worden in hun erfdeel.
Toen ik nu van Paddan kwam, zo is bij mij gestorven in het land , op den weg, als het nog een kleine streek lands was, om tot te komen; en ik begroef haar aldaar aan den weg van , welke is Bethlehem.
En zag de zonen van , en zeide: Wiens zijn deze?
En zeide tot zijn vader: Zij zijn mijn zonen, die mij God hier gegeven heeft. En hij zeide: Breng hen toch tot mij, dat ik hen zegene!
Doch de ogen van waren zwaar van ouderdom; hij kon niet zien; en hij deed hen naderen tot zich; toen kuste hij hen, en omhelsde hen.
En zeide tot : Ik had niet gemeend uw aangezicht te zien; maar zie, God heeft mij ook uw zaad doen zien!
Toen deed hen uitgaan van zijn knieen; en hij boog zich voor zijn aangezicht neder ter aarde.
En nam die beiden, met zijn rechterhand, tegenover Israels linkerhand, en Manasse met zijn linkerhand, tegenover Israels rechterhand, en hij deed hen naderen tot hem.
Maar strekte zijn rechterhand uit, en legde die op het hoofd van , hoewel hij de minste was, en zijn linkerhand op het hoofd van Manasse; hij bestierde zijn handen verstandelijk; want Manasse was de eerstgeborene.
En hij zegende , en zeide: De God, voor Wiens aangezicht mijn vaders, en , gewandeld hebben, die God, Die mij gevoed heeft, van dat ik was, tot op dezen dag;
Die Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene deze jongeren, en dat in hen mijn naam genoemd worde, en de naam mijner vaderen, en , en dat zij vermenigvuldigen als vissen in menigte, in het midden des lands!
Toen zag, dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van legde, zo was het kwaad in zijn ogen, en hij ondervatte zijns vaders hand, om die van het hoofd van op het hoofd van Manasse af te brengen.
En zeide tot zijn vader: Niet alzo, mijn vader! want deze is de eerstgeborene; leg uw rechterhand op zijn hoofd.
Maar zijn vader weigerde het, en zeide: Ik weet het, mijn zoon! ik weet het; hij zal ook tot een volk worden, en hij zal ook groot worden; maar nochtans zal zijn kleinste broeder groter worden dan hij, en zijn zaad zal een volle menigte van volkeren worden.
Alzo zegende hij ze te dien dage, zeggende: In u zal zegenen, zeggende: God zette u als en als Manasse! En hij zette voor Manasse.
Daarna zeide tot : Zie, ik sterf; maar God zal met ulieden wezen, en Hij zal u wederbrengen in het land uwer vaderen.
En ik heb u een stuk lands gegeven boven uw broederen; hetwelk ik, met mijn zwaard en met mijn boog, uit de hand der Amorieten genomen heb.