Genesis 47
Toen kwam en boodschapte Farao, en zeide: Mijn vader en mijn broeders, en hun schapen, en hun runderen, met alles wat zij hebben, zijn gekomen uit het land , en zie, zij zijn in het land Gosen.
En hij nam een deel zijner broederen, te weten vijf mannen, en hij stelde hen voor Farao's aangezicht.
Toen zeide Farao tot zijn broederen: Wat is uw hantering? En zij zeiden tot Farao: Uw knechten zijn schaapherders, zo wij als onze vaders.
Voorts zeiden zij tot Farao: Wij zijn gekomen, om als vreemdelingen in dit land te wonen; want er is geen weide voor de schapen, die uw knechten hebben, dewijl de honger zwaar is in het land ; en nu, laat toch uw knechten in het land Gosen wonen!
Toen sprak Farao tot , zeggende: Uw vader en uw broeders zijn tot u gekomen;
Egypteland is voor uw aangezicht; doe uw vader en uw broeders in het beste van het land wonen; laat hen in het land Gosen wonen, en zo gij weet, dat er onder hen kloeke mannen zijn, zo zet hen tot veemeesters over hetgeen ik heb.
En bracht zijn vader mede, en stelde hem voor Farao's aangezicht; en zegende Farao.
En Farao zeide tot : Hoe vele zijn de dagen der jaren uws levens!
En zeide tot Farao: De dagen der jaren mijner vreemdelingschappen zijn honderd en dertig jaren; weinig en kwaad zijn de dagen der jaren mijns levens geweest, en hebben niet bereikt de dagen van de jaren des levens mijner vaderen, in de dagen hunner vreemdelingschappen.
En zegende Farao, en ging uit van Farao's aangezicht.
En bestelde voor en zijn broederen woningen, en hij gaf hun een bezitting in Egypteland, in het beste van het land, in het land , gelijk als Farao geboden had.
En onderhield zijn vader, en zijn broeders, en het ganse huis zijns vaders, met brood, tot den mond der kinderkens toe.
En er was geen brood in het ganse land; want de honger was zeer zwaar: zodat het land van en het land raasden vanwege dien honger.
Toen verzamelde al het geld, dat in Egypteland en in het land gevonden werd, voor het koren, dat zij kochten; en bracht dat geld in Farao's huis.
Als nu het geld uit Egypteland en uit het land verdaan was, kwamen al de Egyptenaars tot , zeggende: Geef ons brood; want waarom zouden wij in uw tegenwoordigheid sterven? want het geld ontbreekt;
En zeide: Geeft uw vee, zo zal ik het u geven voor uw vee, indien het geld ontbreekt.
Toen brachten zij hun vee tot ; en gaf hun brood voor paarden en voor het vee der schapen, en voor het vee der runderen, en voor ezels; en hij voedde hen met brood, datzelve jaar, voor al hun vee.
Toen datzelve jaar voleind was, zo kwamen zij tot hem in het tweede jaar, en zeiden tot hem: Wij zullen het voor mijn heer niet verbergen, alzo het geld verdaan is, en de bezitting der beesten gekomen aan mijn heer, zo is er niets anders overgebleven voor het aangezichts mijns heren, dan ons lichaam en ons land.
Waarom zullen wij voor uw ogen sterven, zo wij als ons land? Koop ons en ons land voor brood; zo zullen wij en ons land Farao dienstbaar zijn; en geef zaad, opdat wij leven en niet sterven, en het land niet woest worde!
Alzo kocht het gehele land van voor Farao; want de Egyptenaars verkochten een ieder zijn akker, dewijl de honger sterk over hen geworden was; zo werd het land Farao's eigen.
En aangaande het volk, dat zette hij over in de steden, van het ene uiterste der palen van , tot aan het andere uiterste deszelven.
Alleen het land der priesteren kocht hij niet, want de priesters hadden een bescheiden deel van Farao, en zij aten hun bescheiden deel, hetwelk hun Farao gegeven had; daarom verkochten zij hun land niet.
Toen zeide tot het volk: Ziet, ik heb heden u en uw land gekocht voor Farao; ziet, daar is zaad voor u, opdat gij het land bezaait.
Doch met de inkomsten zal het geschieden, dat gij aan Farao het vijfde deel zult geven, en de vier delen zullen voor u zijn, tot zaad des velds, en tot uw spijze en van degenen, die in uw huizen zijn, en om te eten voor uw kinderkens.
En zij zeiden: Gij hebt ons leven behouden; laat ons genade vinden in de ogen mijns heren, en wij zullen Farao's knechten zijn.
dan stelde ditzelve in tot een wet, tot dezen dag, over het land van , dat Farao het vijfde deel zou hebben; behalve dat alleen het land der priesteren van Farao niet werd.
Zo woonde in het land van , in het land Gosen; en zij stelden zich tot bezitters daarin, en zij werden vruchtbaar en vermeerderden zeer.
En leefde in het land van zeventien jaar; zodat de dagen van , de jaren zijns levens, geweest zijn honderd zeven en veertig jaren.
Als nu de dagen van naderden, dat hij sterven zou, zo riep hij zijn zoon , en zeide tot hem: Indien ik nu genade gevonden heb in uw ogen, zo leg toch uw hand onder mijn heup, en doe weldadigheid en trouw aan mij, en begraaf mij toch niet in ;
Maar dat ik bij mijn vaderen ligge; hierom zult gij mij uit voeren, en mij in hun graf begraven. En hij zeide: Ik zal doen naar uw woord!
En hij zeide: Zweer mij! en hij zwoer hem. En boog zich ten hoofde van het bed.