Genesis 46

En verreisde met al wat hij had, en hij kwam te Ber-seba, en hij offerde offeranden aan den God van zijn vader .

En God sprak tot in gezichten des nachts, en zeide: , ! En hij zeide: Zie, hier ben ik!

En Hij zeide: Ik ben die God, uws vaders God; vrees niet van af te trekken naar ; want Ik zal u aldaar tot een groot volk zetten.

Ik zal met u aftrekken naar en Ik zal u doen weder optrekken, mede optrekkende; en zal zijn hand op uw ogen leggen.

Toen maakte zich op van Ber-seba; en de zonen van voerden hun vader, en hun kinderen, en hun vrouwen, op de wagenen, die Farao gezonden had, om hem te voeren.

En zij namen hun vee, en hun have, die zij in het land geworven hadden, en zij kwamen in , en al zijn zaad met hem;

Zijn zonen, en de zonen zijner zonen met hem; zijn dochteren, en zijner zonen dochteren, en al zijn zaad bracht hij met zich in .

En dit zijn de namen der zonen van , die in kwamen: en zijn zonen. De eerstgeborene van : .

En de zonen van : , en , en , en .

En de zonen van : , en , en , en , en , en Saul, de zoon ener Kanaanietische vrouw.

En de zonen van : , en .

En de zonen van : , en , en , en , en . Doch en waren gestorven in het land van ; en de zonen van waren en .

En de zonen van : , en , en Job, en .

En de zonen van : , en Elon, en .

Dit zijn de zonen van , die zij gebaard heeft in Paddan-Aram, met zijn dochter; al de zielen zijner zonen en zijner dochteren waren drie en dertig.

En de zonen van : en , en , en , en .

En de zonen van : , en , en Jisvi, en , en Sera, hun zuster; en de zonen van : en .

Dit zijn de zonen van , die aan zijn dochter gegeven had; en zij baarde deze zestien zielen.

De zonen van , Jakobs huisvrouw: en .

En werden geboren in Egypteland, Manasse en , die hem , de dochter van Potifera, den overste te On, baarde.

En de zonen van : Bela, en , en , en , en , en .

Dit zijn de zonen van , die geboren zijn, al te zamen veertien zielen.

En de zonen van : .

En de zonen van : , en , en , en .

Dit zijn de zonen van , die aan zijn dochter gegeven had; en zij baarde dezelve , zij waren allen zeven zielen.

Al de zielen, die met in kwamen, uit zijn heup gesproten, uitgenomen de vrouwen van de zonen van , waren allen zes en zestig zielen.

En de zonen van , die hem in geboren zijn, waren twee zielen. Al de zielen van het huis van , die in kwamen, waren zeventig.

En hij zond voor zijn aangezicht heen tot , om voor zijn aangezicht aanwijzing te doen naar Gosen; en zij kwamen in het land Gosen.

Toen spande zijn wagen aan, en toog op, zijn vader tegemoet naar Gosen; en als hij zich aan hem vertoonde, zo viel hij hem aan zijn hals, en weende lang aan zijn hals.

En zeide tot : Dat ik nu sterve, nadat ik uw aangezicht gezien heb, dat gij nog leeft!

Daarna zeide tot zijn broederen, en tot zijns vaders huis: Ik zal optrekken en Farao boodschappen, en tot hem zeggen: Mijn broeders en het huis mijns vaders, die in het land waren, zijn tot mij gekomen.

En die mannen zijn schaapherders; want het zijn mannen, die met vee omgaan; en zij hebben hun schapen, en hun runderen, en al wat zij hebben, medegebracht.

Wanneer het nu geschieden zal, dat Farao ulieden zal roepen, en zeggen: Wat is uw hantering?

Zo zult gij zeggen: Uw knechten zijn mannen, die van onze jeugd af tot nu toe met vee omgegaan hebben, zo wij als onze vaders; opdat gij in het land Gosen moogt wonen; want alle schaapherder is de Egyptenaren een gruwel.