Genesis 45
Toen kon zich niet bedwingen voor allen, die bij hem stonden, en hij riep: Doet alle man van mij uitgaan! En er stond niemand bij hem, als zich aan zijn broederen bekend maakte.
En hij verhief zijn stem met wenen, zodat het de Egyptenaren hoorden, en dat het Farao's huis hoorde.
En zeide tot zijn broederen: Ik ben ! leeft mijn vader nog? En zijn broeders konden hem niet antwoorden; want zij waren verschrikt voor zijn aangezicht.
En zeide tot zijn broederen: Nadert toch tot mij! En zij naderden. Toen zeide hij: Ik ben , uw broeder, dien gij naar verkocht hebt.
Maar nu, weest niet bekommerd, en de toorn ontsteke niet in uw ogen, omdat gij mij hierheen verkocht hebt; want God heeft mij voor uw aangezicht gezonden, tot behoudenis des levens.
Want het zijn nu twee jaren des hongers in het midden des lands; en er zijn nog vijf jaren, in welke geen ploeging noch oogst zijn zal.
Doch God heeft mij voor uw aangezicht henen gezonden, om u een overblijfsel te stellen op de aarde, en om u bij het leven te behouden, door een grote verlossing.
Nu dan, gij hebt mij herwaarts niet gezonden, maar God Zelf, Die mij tot Farao's vader gesteld heeft, en tot een heer over zijn ganse huis, en regeerder in het ganse land van .
Haast u en trekt op tot mijn vader, en zegt het hem: Alzo zegt uw zoon : God heeft mij tot een heer over gans Egypteland gesteld; kom af tot mij, en vertoef niet.
En gij zult in het land Gosen wonen, en nabij mij wezen, gij en uw zonen, en de zonen uwer zonen, en uw schapen, en uw runderen, en al wat gij hebt.
En ik zal u aldaar onderhouden; want er zullen nog vijf jaren des hongers zijn, opdat gij niet verarmt, gij en uw huis, en alles wat gij hebt!
En ziet, uw ogen zien het, en de ogen van mijn broeder , dat mijn mond tot u spreekt.
En boodschapt mijn vader al mijn heerlijkheid in , en alles wat gij gezien hebt; en haast u, en brengt mijn vader herwaarts af.
En hij viel aan den hals van , zijn broeder, en weende; en weende aan zijn hals.
En hij kuste al zijn broederen, en hij weende over hen; en daarna spraken zijn broeders met hem.
Als dit gerucht in het huis van Farao gehoord werd, dat men zeide: Jozefs broeders zijn gekomen! was het goed in de ogen van Farao, en in de ogen van zijn knechten.
En Farao zeide tot : Zeg tot uw broederen: Doet dit, laadt uw beesten, en trekt heen, gaat naar het land ;
En neemt uw vader en uw huisgezinnen, en komt tot mij, en ik zal u het beste van Egypteland geven, en gij zult het vette dezes lands eten.
Gij zijt toch gelast: doet dit, neemt u uit Egypteland wagenen voor uw kinderkens, en voor uw vrouwen, en voert uw vader, en komt.
En uw oog verschone uw huisraad niet; want het beste van gans Egypteland, dat zal het uwe zijn.
En de zonen van deden alzo. Zo gaf hun wagenen, naar Farao's bevel; ook gaf hij hun teerkost op den weg.
Hij gaf hun allen, iedereen, wisselklederen; maar gaf hij driehonderd zilverlingen, en vijf wisselklederen.
En zijn vader desgelijks zond hij tien ezelen, dragende van het beste van , en tien ezelinnen, dragende koren, en brood, en spijze voor zijn vader op den weg.
En hij zond zijn broeders heen; en zij vertrokken; en hij zeide tot hen: Verstoort u niet op den weg.
En zij trokken op uit , en zij kwamen in het land tot hun vader .
Toen boodschapten zij hem, zeggende: leeft nog, ja, ook is hij regeerder in gans Egypteland! Toen bezweek zijn hart, want hij geloofde hen niet.
Maar als zij tot hem gesproken hadden al de woorden van , die hij tot hen gesproken had, en dat hij de wagenen zag, die gezonden had om hem te voeren, zo werd de geest van hun vader, levendig.
En zeide: Het is genoeg! mijn zoon leeft nog! ik zal gaan, en hem zien, eer ik sterve!