Genesis 4

En bekende , zijn huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde , en zeide: Ik heb een man van de HEERE verkregen!

En zij voer voort te baren zijn broeder ; en werd een schaapherder, en werd een landbouwer.

En het geschiedde ten einde van enige dagen, dat van de vrucht des lands den HEERE offer bracht.

En bracht ook van de eerstgeborenen zijner schapen, en van hun vet. En de HEERE zag en zijn offer aan;

Maar en zijn offer zag Hij niet aan. Toen ontstak zeer, en zijn aangezicht verviel.

En de HEERE zeide tot : Waarom zijt gij ontstoken, en waarom is uw aangezicht vervallen?

Is er niet, indien gij weldoet, verhoging? en zo gij niet weldoet, de zonde ligt aan de deur. Zijn begeerte is toch tot u, en gij zult over hem heersen.

En sprak met zijn broeder ; en het geschiedde, als zij in het veld waren, dat tegen zijn broeder opstond, en sloeg hem dood.

En de HEERE zeide tot : Waar is , uw broeder? En hij zeide: Ik weet het niet; ben ik mijns broeders hoeder?

En Hij zeide: Wat hebt gij gedaan? daar is een stem des bloeds van uw broeder, dat tot Mij roept van den aardbodem.

En nu zijt gij vervloekt van den aardbodem, die zijn mond heeft opengedaan, om uws broeders bloed van uw hand te ontvangen.

Als gij den aardbodem bouwen zult, hij zal u zijn vermogen niet meer geven; gij zult zwervende en dolende zijn op aarde.

En zeide tot den HEERE: Mijn misdaad is groter, dan dat zij vergeven worde.

Zie, Gij hebt mij heden verdreven van den aardbodem, en ik zal voor Uw aangezicht verborgen zijn; en ik zal zwervende en dolende zijn op de aarde, en het zal geschieden, dat al wie mij vindt, mij zal doodslaan.

Doch de HEERE zeide tot hem: Daarom, al wie doodslaat, zal zevenvoudig gewroken worden! En de HEERE stelde een teken aan ; opdat hem niet versloeg al wie hem vond.

En ging uit van het aangezicht des HEEREN; en hij woonde in het land , ten oosten van Eden.

En bekende zijn huisvrouw, en zij werd bevrucht en baarde " class="inline align-text-bottom hover:opacity-70 cursor-pointer">; en hij bouwde een stad, en noemde den naam dier stad naar den naam zijns zoons, " class="inline align-text-bottom hover:opacity-70 cursor-pointer">.

En aan werd geboren; en gewon ; en gewon ; en gewon " class="inline align-text-bottom hover:opacity-70 cursor-pointer">.

En " class="inline align-text-bottom hover:opacity-70 cursor-pointer"> nam zich twee vrouwen; de naam van de eerste was , en de naam van de andere .

En baarde ; deze is geweest een vader dergenen, die tenten bewoonden, en vee hadden.

En de naam zijns broeders was ; deze werd de vader van allen, die harpen en orgelen handelen.

En baarde ook , een leermeester van allen werker in koper en ijzer; en de zuster van was .

En zeide tot zijn vrouwen en : Hoort mijn stem, gij vrouwen van ! neemt ter ore mijn rede! Voorwaar, ik sloeg wel een man dood, om mijn wonde, en een jongeling, om mijn buile!

Want zal zevenvoudig gewroken worden, maar zeventigmaal zevenmaal.

En bekende wederom zijn huisvrouw, en zij baarde een zoon, en zij noemde zijn naam ; want God heeft mij, sprak zij, een ander zaad gezet voor ; want heeft hem doodgeslagen.

En denzelven werd ook een zoon geboren, en hij noemde zijn naam . Toen begon men den naam des HEEREN aan te roepen.