Genesis 38

En het geschiedde ten zelven tijde, dat van zijn broederen aftoog, en hij keerde in tot een man van , wiens naam was .

En zag aldaar de dochter van een Kanaanietisch man, wiens naam was ; en hij nam haar, en ging tot haar in.

En zij werd bevrucht, en baarde een zoon, en hij noemde zijn naam .

Daarna werd zij weder bevrucht, en baarde een zoon, en zij noemde zijn naam .

En zij voer nog voort, en baarde een zoon, en noemde zijn naam ; doch hij was te , toen zij hem baarde.

nu nam een vrouw voor , zijn eerstgeborene, en haar naam was " class="inline align-text-bottom hover:opacity-70 cursor-pointer">Thamar.

Maar , de eerstgeborene van , was kwaad in des HEEREN ogen; daarom doodde hem de HEERE.

Toen zeide tot : Ga in tot uws broeders huisvrouw, en trouw haar in uws broeders naam, en verwek uw broeder zaad.

Doch , wetende, dat dit zaad voor hem niet zoude zijn, zo geschiedde het, als hij tot zijns broeders huisvrouw inging, dat hij het verdierf tegen de aarde, om zijn broeder geen zaad te geven.

En het was kwaad in des HEEREN ogen, wat hij deed; daarom doodde Hij hem ook.

Toen zeide tot " class="inline align-text-bottom hover:opacity-70 cursor-pointer">Thamar, zijn schoondochter: Blijf weduwe in uws vaders huis, totdat mijn zoon groot wordt; want hij zeide: Dat niet misschien ook deze sterve, gelijk zijn broeders! Zo ging " class="inline align-text-bottom hover:opacity-70 cursor-pointer">Thamar heen, en bleef in haar vaders huis.

Als nu vele dagen verlopen waren, stierf de dochter van Sua, de huisvrouw van ; daarna troostte zich , en ging op tot zijn schaapscheerders naar Timna toe, hij en , zijn vriend, de Adullamiet.

En men gaf " class="inline align-text-bottom hover:opacity-70 cursor-pointer">Thamar te kennen, zeggende: Zie, uw schoonvader gaat op naar Timna, om zijn schapen te scheren.

Toen legde zij de klederen van haar weduwschap van zich af, en zij bedekte zich met een sluier, en bewond zich, en zette zich aan den ingang der twee fonteinen, die op den weg naar Timna is; want zij zag, dat groot geworden was, en zij hem niet ter vrouw was gegeven.

Als haar zag, zo hield hij haar voor een hoer, overmits zij haar aangezicht bedekt had.

En hij week tot haar naar den weg, en zeide: Kom toch, laat mij tot u ingaan; want hij wist niet, dat zij zijn schoondochter was. En zij zeide: Wat zult gij mij geven, dat gij tot mij ingaat?

En hij zeide: Ik zal u een geitenbok van de kudde zenden. En zij zeide: Zo gij pand zult geven, totdat gij hem zendt.

Toen zeide hij: Wat pand is het, dat ik u geven zal? En zij zeide: Uw zegelring en uw snoer en uw staf, die in uw hand is; hetwelk hij haar gaf, en ging tot haar in; en zij ontving bij hem.

En zij maakte zich op, en ging heen, en legde haar sluier van zich af, en zij trok aan de klederen van haar weduwschap.

En zond den geitenbok door de hand van zijn vriend, den Adullamiet, om het pand uit de hand der vrouw te nemen; maar hij vond haar niet.

En hij vraagde de lieden van haar plaats, zeggende: Waar is de hoer, die bij deze twee fonteinen aan den weg was? En zij zeiden: Hier is geen hoer geweest.

En hij keerde weder tot , en zeide: Ik heb haar niet gevonden; en ook zeiden de lieden van die plaats: Hier is geen hoer geweest.

Toen zeide : Zij neme het voor zich, opdat wij misschien niet tot verachting worden; zie, ik heb deze bok gezonden; maar gij hebt haar niet gevonden.

En het geschiedde omtrent na drie maanden, dat men te kennen gaf, zeggende: " class="inline align-text-bottom hover:opacity-70 cursor-pointer">Thamar, uw schoondochter, heeft gehoereerd, en ook zie, zij is zwanger van hoererij. Toen zeide : Breng ze hervoor, dat zij verbrand worde!

Als zij voorgebracht werd, schikte zij tot haar schoonvader, om te zeggen: Bij den man, wiens deze dingen zijn, ben ik zwanger; en zij zeide: Beken toch, wiens deze zegelring, en deze snoeren, en deze staf zijn.

En kende ze, en zeide: Zij is rechtvaardiger dan ik, daarom, omdat ik haar aan mijn zoon niet gegeven heb. En hij bekende haar voortaan niet meer.

En het geschiedde ten tijde, als zij baren zou, ziet, zo waren tweelingen in haar buik.

En het geschiedde, als zij baarde, dat een de hand uitgaf; en de vroedvrouw nam dezelve, en zij bond een scharlaken draad om zijn hand, zeggende: Deze komt het eerst uit.

Maar het geschiedde, als hij zijn hand weder intoog, ziet, zo kwam zijn broeder uit; en zij zeide: Hoe zijt gij doorgebroken? op u is de breuke! en men noemde zijn naam .

En daarna kwam zijn broeder uit, om wiens hand de scharlaken draad was; en men noemde zijn naam .