Genesis 34

En , de dochter van , die zij gebaard had, ging uit, om de dochteren van dat land te bezien.

nu, de zoon van den Heviet, den landvorst, zag haar, en hij nam ze, en lag bij haar, en verkrachtte ze.

En zijn ziel kleefde aan , Jakobs dochter; en hij had de jonge dochter lief, en sprak naar het hart van de jonge dochter.

sprak ook tot zijn vader , zeggende: Neem mij deze dochter tot een vrouw.

Toen hoorde, dat hij zijn dochter verontreinigd had, zo waren zijn zonen met het vee in het veld; en zweeg, totdat zij kwamen.

En , de vader van , ging uit tot , om met hem te spreken.

En de zonen van kwamen van het veld, als zij dit hoorden; en het smartte deze mannen, en zij ontstaken zeer, omdat hij dwaasheid in gedaan had, Jakobs dochter beslapende, hetwelk alzo niet zoude gedaan worden.

Toen sprak met hen, zeggende: Mijns zoons Sichems ziel is verliefd op ulieder dochter; geeft hem haar toch tot een vrouw.

En verzwagert u met ons; geeft ons uw dochteren; en neemt voor u onze dochteren;

En woont met ons; en het land zal voor uw aangezicht zijn; woont, en handelt daarin, en stelt u tot bezitters daarin.

En zeide tot haar vader, en tot haar broederen: Laat mij genade vinden in uw ogen; en wat gij tot mij zeggen zult, zal ik geven.

Vergroot zeer over mij den bruidschat en het geschenk; en ik zal geven, gelijk als gij tot mij zult zeggen; geef mij slechts de jonge dochter tot een vrouw.

Toen antwoordden Jakobs zonen aan en , zijn vader, bedriegelijk, en spraken (overmits dat hij , hun zuster, verontreinigd had);

En zij zeiden tot hen: Wij zullen deze zaak niet kunnen doen, dat wij onze zuster aan een man geven zouden, die de voorhuid heeft; want dat ware ons een schande.

Doch hierin zullen wij u ter wille zijn, zo gij wordt gelijk als wij, dat onder u besneden worde al wat mannelijk is.

Dan zullen wij u onze dochteren geven, en uw dochteren zullen wij ons nemen, en wij zullen met u wonen, en wij zullen tot een volk zijn.

Maar zo gij naar ons niet zult horen, om besneden te worden, zo zullen wij onze dochteren nemen, en wegtrekken.

En hun woorden waren goed in de ogen van , en in de ogen van , Hemors zoon.

En de jongeling vertoogde niet, deze zaak te doen; want hij had lust in Jakobs dochter; en hij was geeerd boven al zijns vaders huis.

Zo kwam en , zijn zoon, tot hunner stadspoort; en zij spraken tot de mannen hunner stad, zeggende:

Deze mannen zijn vreedzaam met ons; daarom laat hen in dit land wonen, en daarin handelen, en het land (ziet het is wijd van begrip) voor hun aangezicht zijn; wij zullen ons hun dochteren tot vrouwen nemen, en wij zullen onze dochteren aan hen geven.

Doch hierin zullen deze mannen ons ter wille zijn, dat zij met ons wonen, om tot een volk te zijn; als al wat mannelijk is onder ons besneden wordt, gelijk als zij besneden zijn.

Hun vee, en hun bezitting, en al hun beesten, zullen die niet onze zijn? Alleen laat ons hun te wille zijn, en zij zullen met ons wonen.

En zij hoorden naar , en naar , zijn zoon, allen, die ter zijner stadspoort uitgingen; en zij werden besneden, al wat mannelijk was, allen, die ter zijner stadspoort uitgingen.

En het geschiedde ten derden dage, toen zij in de smart waren, zo namen de twee zonen van , en , broeders van , een iegelijk zijn zwaard, en kwamen stoutelijk in de stad, en doodden al wat mannelijk was.

Zij sloegen ook , en zijn zoon , dood met de scherpte des zwaards; en zij namen uit Sichems huis, en gingen van daar.

De zonen van kwamen over de verslagenen, en plunderden de stad, omdat zij hun zuster verontreinigd hadden.

Hun schapen, en hun runderen, en hun ezelen, en hetgeen dat in de stad, en hetgeen dat in het veld was, namen zij.

En al hun vermogen, en al hun kleine kinderen, en hun vrouwen, voerden zij gevankelijk weg, en plunderden denzelven, en al wat binnenshuis was.

Toen zeide tot en tot : Gij hebt mij beroerd, mits mij stinkende te maken onder de inwoners dezes lands, onder de Kanaanieten, en onder de Ferezieten; en ik ben weinig volks in getal; zo zij zich tegen mij verzamelen, zo zullen zij mij slaan, en ik zal verdelgd worden, ik en mijn huis.

En zij zeiden: Zou hij dan met onze zuster als met een hoer doen?