Genesis 29

Toen hief zijn voeten op, en ging naar het land der kinderen van .

En hij zag toe, en ziet, er was een put in het veld; en ziet, er waren drie kudden schapen nevens dien nederliggende; want uit dien put drenkten zij de kudden; en er was een grote steen op den mond van dien put.

En derwaarts werden al de kudden verzameld, en zij wentelden den steen van den mond des puts, en drenkten de schapen, en legden den steen weder op den mond van dien put, op zijn plaats.

Toen zeide tot hen: Mijn broeders! van waar zijt gij? En zij zeiden: Wij zijn van .

En hij zeide tot hen: Kent gij , den zoon van ? En zij zeiden: Wij kennen hem.

Voorts zeide hij tot hen: Is het wel met hem? En zij zeiden: Het is wel; en zie, , zijn dochter, komt met de schapen.

En hij zeide: Ziet, het is nog hoog dag, het is geen tijd, dat het vee verzameld worde; drenkt de schapen, en gaat heen, weidt dezelve.

Toen zeiden zij: Wij kunnen niet, totdat al de kudden samen zullen vergaderd zijn, en dat men den steen van den mond des puts afwentele, opdat wij de schapen drenken.

Als hij nog met hen sprak, zo kwam met de schapen, die haar vader toebehoorden; want zij was een herderin.

En het geschiedde, als zag, de dochter van , zijner moeders broeder, en de schapen van , zijner moeders broeder, dat toetrad, en wentelde den steen van den mond des puts, en drenkte de schapen van , zijner moeders broeder.

En kuste ; en hij hief zijn stem op en weende.

En gaf te kennen, dat hij een broeder van haar vader, en dat hij de zoon van was. Toen liep zij heen, en gaf het aan haar vader te kennen.

En het geschiedde, als die tijding hoorde van , zijner zusters zoon, zo liep hij hem tegemoet, en omhelsde hem, en kuste hem, en bracht hem tot zijn huis. En hij vertelde al deze dingen.

Toen zeide tot hem: Voorwaar, gij zijt mijn gebeente en mijn vlees! En hij bleef bij hem een volle maand.

Daarna zeide tot : Omdat gij mijn broeder zijt, zoudt gij mij derhalve om niet dienen? verklaar mij, wat zal uw loon zijn?

En had twee dochters: de naam der grootste was ; en de naam der kleinste was .

Doch had tedere ogen; maar was schoon van gedaante, en schoon van aangezicht.

En had lief; en hij zeide: Ik zal u zeven jaren dienen, om , uw kleinste dochter.

Toen zeide : Het is beter, dat ik haar aan u geve, dan dat ik haar aan een anderen man geve; blijf bij mij.

Alzo diende om zeven jaren; en die waren in zijn ogen als enige dagen, omdat hij haar liefhad.

Toen zeide tot : Geef mijn huisvrouw, want mijn dagen zijn vervuld, dat ik tot haar inga.

Zo verzamelde al de mannen dier plaats, en maakte een maaltijd.

En het geschiedde des avonds, dat hij zijn dochter nam, en bracht haar tot hem; en hij ging tot haar in.

En gaf haar , zijn dienstmaagd, aan , zijn dochter, tot een dienstmaagd.

En het geschiedde des morgens, en ziet, het was . Daarom zeide hij tot : Wat is dit, dat gij mij gedaan hebt; heb ik niet bij u gediend om ? waarom hebt gij mij dan bedrogen?

En zeide: Men doet alzo niet te dezer onzer plaatse, dat men de kleinste uitgeve voor de eerstgeborene.

Vervul de week van deze; dan zullen wij u ook die geven, voor den dienst, dien gij nog andere zeven jaren bij mij dienen zult.

En deed alzo; en hij vervulde de week van deze. Toen gaf hij hem , zijn dochter, hem tot een vrouw.

En gaf aan zijn dochter zijn dienstmaagd , haar tot een dienstmaagd.

En hij ging ook in tot , en had ook liever dan ; en hij diende bij hem nog andere zeven jaren.

Toen nu de HEERE zag, dat gehaat was, opende Hij haar baarmoeder; maar was onvruchtbaar.

En werd bevrucht, en baarde een zoon, en zij noemde zijn naam ; want zij zeide: Omdat de HEERE mijn verdrukking heeft aangezien, daarom zal mijn man mij nu liefhebben.

En zij werd wederom bevrucht, en baarde een zoon, en zeide: Dewijl de HEERE gehoord heeft, dat ik gehaat was, zo heeft Hij mij ook dezen gegeven; en zij noemde zijn naam .

En zij werd nog bevrucht, en baarde een zoon, en zeide: Nu zal zich ditmaal mijn man bij mij voegen, dewijl ik hem drie zonen gebaard heb; daarom noemde zij zijn naam .

En zij werd wederom bevrucht, en baarde een zoon, en zeide: Ditmaal zal ik den HEERE loven; daarom noemde zij zijn naam . En zij hield op van baren.