Genesis 28

En riep , en zegende hem; en gebood hem, en zeide tot hem: Neem geen vrouw van de dochteren van .

Maak u op, ga naar Paddan-Aram, ten huize van , den vader uwer moeder, en neem u van daar een vrouw, van de dochteren van , uwer moeders broeder.

En God almachtig zegene u, en make u vruchtbaar, en vermenigvuldige u, dat gij tot een hoop volken wordt.

En Hij geve u den zegen van ; aan u, en uw zaad met u, opdat gij erfelijk bezit het land uwer vreemdelingschappen, hetwelk God aan gegeven heeft.

Alzo zond weg, dat hij toog naar Paddan-Aram, tot , den zoon van , den Syrier, den broeder van , Jakobs en 's moeder.

Als nu zag, dat gezegend, en hem naar Paddan-Aram weggezonden had om zich van daar een vrouw te nemen; en als hij hem zegende, dat hij hem geboden had, zeggende: Neem geen vrouw van de dochteren van ;

En dat zijn vader en zijn moeder gehoorzaam geweest was, en naar Paddan-Aram getrokken was;

En dat zag, dat de dochteren van kwaad waren in de ogen van , zijn vader;

Zo ging tot , en nam zich tot een vrouw boven zijn vrouwen, , de dochter van , den zoon van , de zuster van .

dan toog uit van Ber-seba, en ging naar .

En hij geraakte op een plaats, waar hij vernachtte; want de zon was ondergegaan; en hij nam van de stenen dier plaats, en maakte zijn hoofdpeluw, en legde zich te slapen te dierzelver plaats.

En hij droomde; en ziet, een ladder was gesteld op de aarde, welker opperste aan de hemel raakte; en ziet, de engelen Gods klommen daarbij op en neder.

En ziet, de HEERE stond op dezelve en zeide: Ik ben de HEERE, de God van uw vader , en de God van ; dit land, waarop gij ligt te slapen, zal Ik aan u geven, en aan uw zaad.

En uw zaad zal wezen als het stof der aarde, en gij zult uitbreken in menigte, westwaarts en oostwaarts, en noordwaarts en zuidwaarts; en in u, en in uw zaad zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden.

En zie, Ik ben met u, en Ik zal u behoeden overal, waarheen gij trekken zult, en Ik zal u wederbrengen in dit land; want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik zal gedaan hebben, hetgeen Ik tot u gesproken heb.

Toen nu van zijn slaap ontwaakte, zeide hij: Gewisselijk is de HEERE aan deze plaats, en ik heb het niet geweten!

En hij vreesde, en zeide: Hoe vreselijk is deze plaats! Dit is niet dan een huis Gods, en dit is de poort des hemels!

Toen stond des morgens vroeg op, en hij nam dien steen, dien hij tot zijn hoofdpeluw gelegd had, en zette hem tot een opgericht teken, en goot daar olie boven op.

En hij noemde den naam dier plaats Beth-El; daar toch de naam dier stad te voren was Luz.

En beloofde een gelofte, zeggende: Wanneer God met mij geweest zal zijn, en mij behoed zal hebben op dezen weg, dien ik reize, en mij gegeven zal hebben brood om te eten, en klederen om aan te trekken;

En ik ten huize mijns vaders in vrede zal wedergekeerd zijn; zo zal de HEERE mij tot een God zijn!

En deze steen, dien ik tot een opgericht teken gezet heb, zal een huis Gods wezen, en van alles, wat Gij mij geven zult, zal ik U voorzeker de tienden geven!