Genesis 25
En voer voort, en nam een vrouw, wier naam was .
En zij baarde hem en , en en , en en .
En gewon Seba en ; en de zonen van waren de , en , en .
En de zonen van waren en , en en , en . Deze allen waren zonen van .
Doch gaf aan al wat hij had.
Maar aan de zonen der bijwijven, die had, gaf geschenken; en zond hen weg van zijn zoon , terwijl hij nog leefde, oostwaarts naar het land van .
Dit nu zijn de dagen der jaren des levens van , welke hij geleefd heeft, honderd vijf en zeventig jaren.
En gaf den geest en stierf, in goede ouderdom, oud en des levens zat, en hij werd tot zijn volken verzameld.
En en , zijn zonen, begroeven hem, in de spelonk van , in den akker van , den zoon van , den Hethiet, welke tegenover is;
In den akker, dien van de zonen Heths gekocht had, daar is begraven, en , zijn huisvrouw.
En het geschiedde na Abrahams dood, dat God , zijn zoon, zegende; en woonde bij de put Lachai-Roi.
Dit nu zijn de geboorten van , den zoon van , dien , de Egyptische, dienstmaagd van , gebaard heeft.
En dit zijn de namen der zonen van , met hun namen naar hun geboorten. De eerstgeborene van , ; daarna , en , en ,
En , en , en ,
en , , en .
Deze zijn de zonen van , en dit zijn hun namen, in hun dorpen en paleizen, twaalf vorsten naar hun volken.
En dit zijn de jaren des levens van , honderd zeven en dertig jaren; en hij gaf den geest, en stierf, en hij werd verzameld tot zijn volken.
En zij woonden van tot toe, hetwelk tegenover is, daar gij gaat naar Assur; hij heeft zich nedergeslagen voor het aangezicht van al zijn broederen.
Dit nu zijn de geboorten van , den zoon van : gewon .
En was veertig jaren oud, als hij , de dochter van , den Syrier, uit Paddan-Aram, de zuster van , den Syrier, zich ter vrouw nam.
En bad den HEERE zeer in de tegenwoordigheid van zijn huisvrouw; want zij was onvruchtbaar; en de HEERE liet zich van hem verbidden, zodat , zijn huisvrouw, zwanger werd.
En de kinderen stieten zich samen in haar lichaam. Toen zeide zij: Is het zo? waarom ben ik dus? en zij ging om den HEERE te vragen.
En de HEERE zeide tot haar: Twee volken zijn in uw buik, en twee natien zullen zich uit uw ingewand van een scheiden; en het ene volk zal sterker zijn dan het andere volk; en de meerdere zal den mindere dienen.
Als nu haar dagen vervuld waren om te baren, ziet, zo waren tweelingen in haar buik.
En de eerste kwam uit, ros; hij was geheel als een haren kleed; daarom noemden zij zijn naam .
En daarna kwam zijn broeder uit, wiens hand 's verzenen hield; daarom noemde men zijn naam . En was zestig jaren oud, als hij hen gewon.
Als nu deze jongeren groot werden, werd een man, verstandig op de jacht, een veldman; maar werd een oprecht man, wonende in tenten.
En had lief; want het wildbraad was naar zijn mond; maar had lief.
En had een kooksel gekookt; en kwam uit het veld, en was moede.
En zeide tot : Laat mij toch slorpen van dat rode, dat rode daar, want ik ben moede; daarom heeft men zijn naam genoemd Edom.
Toen zeide : Verkoop mij op dezen dag uw eerstgeboorte.
En zeide: Zie, ik ga sterven; en waartoe mij dan de eerstgeboorte?
Toen zeide : Zweer mij op dezen dag! en hij zwoer hem; en hij verkocht aan zijn eerstgeboorte.
En gaf aan brood, en het linzenkooksel; en hij at en dronk, en hij stond op en ging heen; alzo verachtte de eerstgeboorte.