Genesis 21

En de HEERE bezocht , gelijk als Hij gezegd had; en de HEERE deed aan gelijk als Hij gesproken had.

En werd bevrucht, en baarde een zoon in zijn ouderdom, ter gezetter tijd, dien hem God gezegd had.

En noemde den naam zijns zoons, dien hem geboren was, dien hem gebaard had, .

En besneed zijn zoon , zijnde acht dagen oud, gelijk als hem God geboden had.

En was honderd jaren oud, als hem zijn zoon geboren werd.

En zeide: God heeft mij een lachen gemaakt; al die het hoort, zal met mij lachen.

Voorts zeide zij: Wie zou gezegd hebben: heeft zonen gezoogd? want ik heb een zoon gebaard in zijn ouderdom.

En het kind werd groot, en werd gespeend; toen maakte een groten maaltijd op den dag, als gespeend werd.

En zag den zoon van , de Egyptische, dien zij gebaard had, spottende.

En zij zeide tot : Drijf deze dienstmaagd en haar zoon uit; want de zoon dezer dienstmaagd zal met mijn zoon, met , niet erven.

En dit woord was zeer kwaad in Abrahams ogen, ter oorzake van zijn zoon.

Maar God zeide tot : Laat het niet kwaad zijn in uw ogen, over den jongen, en over uw dienstmaagd; al wat tot u zal zeggen, hoor naar haar stem; want in zal uw zaad genoemd worden.

Doch Ik zal ook den zoon dezer dienstmaagd tot een volk stellen, omdat hij uw zaad is.

Toen stond des morgens vroeg op, en nam brood, en een fles water, en gaf ze aan , die leggende op haar schouder; ook gaf hij haar het kind, en zond haar weg. En zij ging voort, en dwaalde in de woestijn Ber-seba.

Als nu het water van de fles uit was, zo wierp zij het kind onder een van de struiken.

En zij ging en zette zich tegenover, afgaande zo verre, als die met de boog schieten; want zij zeide: Dat ik het kind niet zie sterven; en zij zat tegenover, en hief haar stem op, en weende.

En God hoorde de stem van den jongen; en de Engel Gods riep toe uit den hemel, en zeide tot haar: Wat is u, ? Vrees niet; want God heeft naar des jongens stem gehoord, ter plaatse, waar hij is.

Sta op, hef den jongen op, en houd hem vast met uwe hand; want Ik zal hem tot een groot volk stellen.

En God opende haar ogen, dat zij een waterput zag; en zij ging, en vulde de fles met water, en gaf den jongen te drinken.

En God was met den jongen; en hij werd groot, en hij woonde in de woestijn, en werd een boogschutter.

En hij woonde in de woestijn ; en zijn moeder nam hem een vrouw uit Egypteland.

Voorts geschiedde het ter zelfder tijd, dat , mitsgaders , zijn krijgsoverste, tot sprak, zeggende: God is met u in alles, wat gij doet.

Zo zweer mij nu hier bij God: Zo gij mij, of mijn zoon, of mijn neef liegen zult! naar de weldadigheid, die ik bij u gedaan heb, zult gij doen bij mij, en bij het land, waarin gij als vreemdeling verkeert.

En zeide: Ik zal zweren.

En berispte ter oorzake van een waterput, die Abimelechs knechten met geweld genomen hadden.

Toen zeide : Ik heb niet geweten, wie dit stuk gedaan heeft; en ook hebt gij het mij niet aangezegd, en ik heb er ook niet van gehoord, dan heden.

En nam schapen en runderen, en gaf die aan ; en die beiden maakten een verbond.

Doch stelde zeven ooilammeren der kudde bijzonder.

Zo zeide tot : Wat zullen hier deze zeven ooilammeren, die gij bijzonder gesteld hebt?

En hij zeide: Dat gij de zeven ooilammeren van mijn hand nemen zult, opdat het mij tot een getuigenis zij, dat ik dezen put gegraven heb.

Daarom noemde men die plaats Ber-seba, omdat die beiden daar gezworen hadden.

Alzo maakten zij een verbond te Ber-seba. Daarna stond op, en Pichol, zijn krijgsoverste, en zij keerden wederom naar het land der Filistijnen.

En hij plantte een bos in Ber-seba, en riep aldaar den Naam des HEEREN, des eeuwigen Gods, aan.

En woonde als vreemdeling vele dagen in het land der Filistijnen.